Vreemdelingenrecht

Voorlopige voorziening. Buiten zitting. Ordemaatregel.

Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2022

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
27 oktober 2022
Datum publicatie
2 november 2022
Zaaknummer
NL22.18416
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:11357
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Buiten zitting. Ordemaatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.18416


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 13 september 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.

2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het door verzoeker ingestelde beroep slechts twee dagen voor het verstrijken van de uiterste overdrachtsdatum ter zitting zal worden behandeld. Daardoor kan de bekendmaking van de uitkomst van het beroep niet plaatsvinden voorafgaand aan het verstrijken van de overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om de uitkomst van zijn beroep af te wachten zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter stelt daarbij vast dat de verzoekers overdracht gepland staat op 4 november 2022. De voorzieningenrechter zal daarom bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze.

4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 759,- bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit

wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep (zaak met nummer

NL22.18415) in Nederland mag afwachten;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 759,-

(zevenhonderdnegenenvijftig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) Nr. 604/2013.