Vreemdelingenrecht

bewaring 59.1a, zware gronden, lichte gronden, voortvarendheid, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 14 november 2022

Zaakgegevens

Op 14 november 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
14 november 2022
Datum publicatie
18 november 2022
Zaaknummer
NL22.22496
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:12273
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring 59.1a, zware gronden, lichte gronden, voortvarendheid, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.22496


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: 290.898.1232

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).


Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is via beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Gebrehiwot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Ugandese nationaliteit te hebben.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:


3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;


en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Ter zitting heeft verweerder de zware grond 3k en de lichte gronden 4a en 4d laten vallen.

4. Eiser betwist de zware gronden 3b, 3c, en 3l. Hij voert hiertoe aan dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser stelt dat hij in juli van dit jaar zelfstandig is teruggekeerd naar België. Hij heeft daarmee voldaan aan de vertrekverplichting zoals aan hem bij besluit van 12 juli 2022 is opgelegd.

5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat om – voor zover in deze relevant – de zware gronden 3a, 3b, en 3l aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, verweerder kan volstaan met een toelichting die feitelijk juist is. De zware grond 3a betwist eiser niet. Deze grond is feitelijk juist en staat daarmee vast. Verweerder heeft verder terecht de overige zware gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser stelt immers weliswaar dat hij na de afwijzing van zijn asielaanvraag in Nederland naar België is vertrokken maar staaft dit vertrek niet met bewijs. Eiser heeft de Nederlandse noch de Belgische autoriteiten op de hoogte gesteld van zijn terugkeer naar België. Derhalve staat niet vast dat eiser heeft voldaan de op hem rustende verplichting om naar België terug te keren.

6. Eiser betwist verder de lichte grond 4b. Eiser stelt dat hij niet opnieuw asiel wilde aanvragen in Nederland, maar dat hij tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling door de betreffende ambtenaar erop is gewezen dat hij een dergelijke aanvraag moest indienen.

7. De rechtbank volgt dit niet. Eiser verklaart op pagina 3 en 4 van het gehoor van inbewaringstelling: Ik kom asielaanvragen” en “nu kom ik voor de tweede keer asiel aanvragen”. Hieruit blijkt niet dat eiser is gedwongen om asiel aan te vragen. Verweerder heeft dan ook terecht de lichte grond 4b tegengeworpen.

8. De zware en de lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en staven ook dat een risico bestaat dat eiser zich aan toezicht op vreemdelingen zal onttrekken.

9. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan zijn overdracht omdat deze vanuit Nederland naar België eenvoudig gerealiseerd kan worden.

10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder voldoende

voortvarend handelt door zes dagen na inbewaringstelling een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht of uitzetting van de vreemdeling. Het vertrekgesprek dat met eiser is gevoerd op 3 november 2022 is aan te merken als een dergelijke handeling. Verweerder heeft daarnaast ter zitting verklaard dat de overdracht van eiser gepland staat op 16 november 2022. Dat eiser wordt overgedragen aan buurland België maakt niet dat verweerder de benodigde formaliteiten voor de overdracht niet hoeft te verrichten. Verweerder handelt dan ook voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2020:829. M110, Proces-verbaal van gehoor van 29 oktober 2022. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3486.