Vreemdelingenrecht
Bewaring, eerste beroep. Aansluitende maatregel na herhaalde asielaanvraag, "louter"-criterium, eerder…
Rechtbank Den Haag, 18 november 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:15166 · Rechtbank Den Haag · 18 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2022-15166
Zaakgegevens
Op 18 november 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 18 november 2022
- Datum publicatie
- 8 februari 2023
- Zaaknummer
- NL22.22727
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15166
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring, eerste beroep. Aansluitende maatregel na herhaalde asielaanvraag, "louter"-criterium, eerder toegang gehad tot asielprocedure, voorbereiding asielaanvraag niet aangetoond. Voortvarendheid, zicht op uitzetting. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.22727
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
1. Bij besluit van 4 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
3. De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
4. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
Voorgeschiedenis
5. Eiser is eerder op 22 oktober 2022 in bewaring gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid en onder a. Nadat hij te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, is deze maatregel op 4 november 2022 opgeheven en is aan eiser aansluitend de onderhavige maatregel opgelegd. Een beroep tegen de voorgaande maatregel is bij uitspraak van 10 november 20221 ongegrond verklaard.
Beschikt verweerder over voldoende gronden voor een inbewaringstelling?
6. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, omdat er geen sprake is van een herhaalde asielaanvraag en omdat hij de lopende aanvraag niet louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Hij heeft niet onmiddellijk een asielaanvraag ingediend omdat hij de aanvraag nog wilde voorbereiden en daarvoor nodige documentatie wilde verzamelen. Bovendien is de voorgaande aanvraag van eiser niet inhoudelijk beoordeeld zodat de huidige aanvraag niet kan worden gezien als een herhaalde asielaanvraag en zegt de eerdere buitenbehandelingstelling niets over de kans van slagen van de huidige aanvraag. Het COA regelt voor hem als asielzoeker een vaste woon- of verblijfplaats.
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van het indienen van de huidige asielaanvraag in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser eerder op 4 juni 2020 een asielaanvraag heeft ingediend, welke op 3 juli 2020 buiten behandeling is gesteld nadat eiser tweemaal niet is verschenen bij een aanmeldgehoor en hij op 16 juni 2020 MOB is gemeld. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser eerder toegang tot de asielprocedure heeft gehad. Dat deze procedure niet heeft geresulteerd in een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Voorts is in een proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding van 22 oktober 2022 vermeld dat eiser zich op die datum om 03:50 uur binnen het hekwerk van het ferryterrein te IJmuiden bevond. In een proces-verbaal van gehoor aangaande artikel 62a van de Vw van 22 oktober 2022 is vermeld dat eiser op het ferryterrein in het bezit was van een stanleymes, en dat hij onder meer heeft verklaard door te willen reizen naar Zweden en op de veerboot wilde slapen. Eiser heeft op dat moment niet genoemd dat hij voornemens was een asielaanvraag in Nederland in te dienen of bezig was met het voorbereiden daarvan. Ook tijdens een vertrekgesprek op 25 oktober 2022 geeft eiser niet aan dat hij bezig is met de voorbereiding van een asielaanvraag. Op grond hiervan is de rechtbank, anders dan in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 20162, niet overtuigd dat eiser ten tijde van de oplegging van de voorgaande maatregel al bezig was met de
voorbereiding van een nieuwe asielaanvraag in Nederland. Voor zover eiser betoogt dat de huidige aanvraag kans van slagen heeft, is de rechtbank van oordeel dat voor een beoordeling hiervan in deze procedure geen plaats is.
9. Ten aanzien van de in de maatregel opgenomen gronden is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke juistheid van de zware gronden en de gronden 4a en 4d niet bestreden zijn. Verweerder beschikte daarmee over voldoende gronden om eiser in bewaring te stellen. De overige gronden behoeven dus geen bespreking meer. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Handelt verweerder voldoende voortvarendheid en is er zicht op uitzetting?
10. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat.
11. Uit de stukken blijkt dat eiser op 4 november 2022 een asielaanvraag heeft ingediend en dat verweerder op 13 november 2022 een voornemen heeft uitgebracht. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder binnen de termijn als bedoeld in artikel 59b, tweede lid van de Vw, voldoende voortvarend heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoe oordeelt de rechtbank ambtshalve over de maatregel?
12. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is3 niet van oordeel is dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Hoe oordeelt de rechtbank over het beroep?
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 november 2022
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.