Vreemdelingenrecht
De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. Beroep…
Rechtbank Den Haag, 14 maart 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:2309 · Rechtbank Den Haag · 14 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2022-2309
Zaakgegevens
Op 14 maart 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 14 maart 2022
- Datum publicatie
- 18 maart 2022
- Zaaknummer
- NL22.3209 NL22.3267
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2309
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. Beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Strafrechtelijk voortraject. Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.3209 en NL22.3267
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: 283.510.1580
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Remerie).
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2022 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 7 maart 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 maart 2022 op een zitting behandeld, in Breda. Eiser is via een videoverbinding verschenen. Eiser werd bijgestaan door mr. M.C. de Jong, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum].
Over bestreden besluit 1
2. Eiser voert aan dat een aanvullend terugkeerbesluit achterwege had moeten blijven omdat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan het bestreden besluit 1 al kenbaar had gemaakt dat hij op korte termijn opnieuw asiel zal aanvragen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit 1 onverplicht en ten overvloede is genomen, omdat uit het eerdere terugkeerbesluit al duidelijk blijkt van een land van terugkeer.
4. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 8 februari 2017 op eisers eerdere asielaanvraag mede een terugkeerbesluit omvat en dat hieruit duidelijk blijkt dat Pakistan als land van terugkeer is beoogd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens dat besluit eiser de Pakistaanse nationaliteit heeft en verweerder daarin heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Pakistan te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Verder is niet gebleken dat eiser sinds dit besluit het grondgebied van de Europese Unie verlaten heeft, zodat dit besluit nog steeds van kracht is.
5. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit 1 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept die niet al eerder waren ontstaan. Het bestreden besluit 1 is daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep met nummer NL22.3267.
Over bestreden besluit 2
6. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat er geen geldig terugkeerbesluit ten grondslag ligt aan de maatregel van bewaring.
Strafrechtelijk voortraject
8. Eiser voert aan dat sprake is geweest van een verkapte vreemdelingrechtelijke
staandehouding dan wel aanhouding. Uit het dossier blijkt volgens eiser niet waarom hem om zijn paspoort is gevraagd. Nu een redelijk vermoeden van illegaal verblijf ontbrak, is de staandehouding discriminatoir. Dit gebrek is zodanig ernstig, dat de daaropvolgende bewaring onrechtmatig is.
9. Op basis van het proces-verbaal van bevindingen van de politie in het dossier stelt de rechtbank vast dat verbalisant Van Schaardenburg op 21 februari 2022 op de Dordtselaan in Rotterdam een bromfiets zag rijden op een fietspad dat bestemd is voor fietsers en snorfietsers. De verbalisant heeft de bromfietser daarop een stopteken gegeven en eiser, die de bestuurder was, gevraagd om een geldig rijbewijs. Eiser overhandigde daarop een op zijn naam gesteld Nederlands rijbewijs. Vervolgens raadpleegde de verbalisant de voor hem beschikbare politiesystemen, waaruit bleek dat eiser niet is ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (de rechtbank begrijpt: de Basisregistratie Personen) en bekend staat als “Niet Ingezeten”. Toen eiser desgevraagd geen geldig paspoort kon overleggen, is hij aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dan ook onmiskenbaar dat er een strafrechtelijke aanleiding was om eiser te vragen naar zijn paspoort. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Daartoe moet men zich wenden tot de voor de toetsing van strafvorderlijk optreden aangewezen rechter. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gronden en lichter middel
10. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde.Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
11. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de gronden niet bestreden. Wel stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan omdat eiser een studie volgt aan de Hogeschool Rotterdam en hij al enige tijd bezig is met de voorbereiding van het indienen van een opvolgende asielaanvraag.
12. Nu eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet betwist, is het significante risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken gegeven. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in zijn geval geen aanleiding is een lichter middel toe te passen. De door eiser aangevoerde omstandigheden maken dat niet anders. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser ondanks de sinds 2017 op hem rustende vertrekplicht nooit uit Nederland is vertrokken. Daarnaast is van belang dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij ook nu niet naar Pakistan zal terugkeren. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen andere, minder dwingende, maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
13. Eiser stelt ook dat al op 4 maart 2022 aan verweerder kenbaar is gemaakt dat hij een opvolgende asielaanvraag wilde indienen, waardoor eiser vanaf dat moment rechtmatig verblijf genoot. Eiser verwijst voor dit standpunt naar een uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011. Dit betekent dat verweerder op uiterlijk 6 maart 2022 de wettelijke grondslag van de inbewaringstelling had moeten wijzigen. Omdat dit pas op 7 maart 2022 is gebeurd, heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld. Daarnaast is niet duidelijk welke handelingen zijn verricht om een laissez-passer te verkrijgen en is ook om die reden sprake van onvoldoende voortvarend handelen aan de zijde van verweerder.
14. Op grond van de mailwisseling die eiser heeft overgelegd stelt de rechtbank vast dat eiser op 4 maart 2022 bij verweerder is aangemeld voor het indienen van een asielaanvraag. In de door eiser aangehaalde uitspraak van 4 oktober 2011 heeft de Afdeling overwogen dat een vreemdeling asielzoeker is vanaf het moment dat hij tegenover de bevoegde autoriteiten kenbaar maakt dat hij internationale bescherming wenst. Vanaf dat moment heeft hij ook rechtmatig verblijf. Deze uitspraak ziet echter uitsluitend op de situatie waarin sprake is van een eerste asielverzoek en niet, zoals hier aan de orde, op het indienen van een opvolgende aanvraag. Op grond van artikel 3.118b, eerste lid, van het Vb wordt een opvolgende aanvraag immers niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door verweerder te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen. In dat verband heeft de Afdeling geoordeeld dat het stelsel waarin verweerder voorschrijft dat een asielaanvraag pas geacht wordt te zijn ingediend nadat de vreemdeling een daartoe bestemd formulier heeft ondertekend, in overeenstemming is met de Awb en het Unierecht. Nu niet in geschil is dat eiser het formulier voor het indienen van de opvolgende aanvraag op 7 maart 2022 heeft ondertekend en verweerder nog diezelfde dag de wettelijke grondslag van de bewaring heeft gewijzigd, is er geen sprake van een ontoelaatbare vertraging in het handelen van verweerder.
15. Ook in wat eiser verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de verwijdering van eiser. Na de inbewaringstelling op 21 februari 2022 heeft verweerder op 25 februari 2022 en 1 maart 2022 vertrekgesprekken gevoerd. Dat er geen handelingen zijn verricht met het oog op de verkrijging van een laissez-passer leidt niet tot een ander oordeel, te meer niet nu eiser in de gesprekken met verweerder bij herhaling te kennen gaf dat hij aan de voorbereiding van een opvolgende asielaanvraag werkte. Het voert naar het oordeel van de rechtbank te ver om onder die omstandigheden van verweerder te verlangen dat desondanks met de aanvraag van een laissez-passer wordt aangevangen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
16. Eiser stelt tot slot dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn steeds heeft ontbroken omdat voor verweerder duidelijk was dat eiser een opvolgende asielaanvraag wilde indienen. De rechtbank verwerpt deze stelling, nu met de enkele aankondiging dat eiser een asielaanvraag zal indienen, het zicht op uitzetting niet wordt wegnomen. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.
Conclusie
17. De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond.
18. Voor het toekennen van schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 106 van de Vw bestaat geen aanleiding.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
? verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen bestreden besluit 1 (NL22.3267);
? verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 (NL22.3209) ongegrond;
? wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.