Vreemdelingenrecht

beroep niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding niet-verschoonbaar

Rechtbank Den Haag, 3 februari 2022

Zaakgegevens

Op 3 februari 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
3 februari 2022
Datum publicatie
9 februari 2022
Zaaknummer
NL22.81
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:887
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding niet-verschoonbaar

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.81


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

v-nummer: 287.510.6780

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 3 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank - na het bieden van een herstelmogelijkheid - het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank laat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege indien het niet aan eiser te verwijten valt dat de beroepsgronden niet of niet tijdig zijn ingediend.

2. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser bij brief van 5 januari 2022 verzocht om binnen vijf werkdagen, dus uiterlijk op 12 januari 2022, dit verzuim te herstellen. Eiser heeft op 13 januari 2022 gronden ingediend. Dat is te laat.

3. Gemachtigde van eiser heeft bij de indiening van de gronden laten weten dat deze te laat zijn ingediend, omdat de termijn niet goed in de agenda is terecht gekomen. De gemachtigde meent dat dit eiser niet verweten mag worden en dat de termijnoverschrijding van dusdanige geringe aard is dat partijen daarbij niet geschaad zijn in hun procespositie.

4. De rechtbank acht de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat de fout van de gemachtigde van eiser voor rekening en risico komt van eiser. Dat de overschrijding gering is, neemt niet weg dat deze termijn, die gesteld is voor een goed verloop van de procedure, is overschreden.

5. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechtbank vervolgens beoordelen of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. Hiervan is sprake als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod schendt, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank moet aan de hand van wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, beoordelen of er zulke bijzondere feiten en omstandigheden zijn. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. De aangevoerde argumenten van eiser leiden niet onmiskenbaar tot het oordeel dat het refoulementverbod wordt geschonden, nu de argumenten beperkt, algemeen en niet op het individu toegespitst zijn geformuleerd. Dat betekent dat de rechtbank niet aan de niet-verschoonbare termijnoverschrijding voorbij gaat.

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.S.C. Spruijt, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking.

Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1944. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.