Vreemdelingenrecht
Aanvraag van de moeder voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als…
Rechtbank Den Haag, 2 januari 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:11828 · Rechtbank Den Haag · 2 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-11828
Zaakgegevens
Op 2 januari 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 januari 2023
- Datum publicatie
- 8 augustus 2023
- Zaaknummer
- NL22.6101 en NL22.17165
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11828
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag van de moeder voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar dochter is afgewezen. De aanvraag van de dochter een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie-of gezinslid bij haar vader is ook afgewezen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat tussen eiseres en haar vader geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.6101 en NL22.17165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1], en haar minderjarige dochter
[eiseres 2] , eiseressen
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2],
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2021 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van de moeder voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar dochter afgewezen.
Bij besluit van 23 maart 2022 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van de dochter een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam]’ (referent, haar vader) afgewezen.
Bij besluit van 28 maart 2022 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 4 augustus 2022 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.
Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op de zitting van 22 november 2022 behandeld. Eiseressen en hun gemachtigde zijn met voorafgaand bericht aan de rechtbank niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Achtergrond
1. Moeder en dochter hebben de Egyptische nationaliteit en zijn geboren op [geboortedag 1] 1978 respectievelijk [geboortedag 2] 2018. Zij hebben op 23 februari 2018 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen op 10 januari 2019. Het beroep tegen deze afwijzing is ongegrond verklaard.
Op 21 maart 2020 heeft de moeder namens haar dochter een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar vader, referent. Vader heeft de Nederlandse nationaliteit. Moeder heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar dochter.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van de moeder afgewezen, omdat zij niet beschikt over een mvv. De weigering van de gevraagde verblijfsvergunning is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Moeder en dochter hebben geen verblijfsvergunning en dus geen rechtmatig verblijf in Nederland. Zij worden door dit besluit niet van elkaar gescheiden. Daarom is geen sprake van familieleven dat in Nederland moet worden geëerbiedigd op grond van artikel 8 van het EVRM. Ook is niet gebleken van privéleven in Nederland. Verder stelt verweerder dat geen aanleiding bestaat tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder ziet in de gronden van bezwaar geen reden voor een ander oordeel en heeft in het bestreden besluit 1 de afwijzing in bezwaar gehandhaafd.
Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag van de dochter afgewezen, omdat zij niet beschikt over een mvv. De weigering van de gevraagde verblijfsvergunning is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, omdat geen sprake is van familie- en gezinsleven met referent. Nu zij geen gezinsleven met haar vader uitoefent, is haar uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen beschermenswaardig privéleven heeft in Nederland als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat zij nog maar vier jaar oud is. Verder stelt verweerder dat geen aanleiding bestaat tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder ziet in de gronden van bezwaar geen reden voor een ander oordeel en heeft bij het bestreden besluit 2 de afwijzing in bezwaar gehandhaafd.
3. Eiseressen zijn het niet eens met verweerder en voeren aan dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij benadrukken zij dat de dochter alleen de mogelijkheid heeft op omgang met haar vader in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank ?
4. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat tussen eiseres en haar vader, referent, geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daartoe heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat zij sinds haar geboorte is blijven behoren tot het gezin van haar vader, omdat zij altijd bij haar moeder heeft gewoond. Verder is gebleken dat haar vader op 11 februari 2021 uit Nederland is vertrokken en zich in de Verenigde Arabische Emiraten heeft gevestigd. Nu zij geen gezinsleven met haar vader uitoefent, is haar uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen beschermenswaardig privéleven heeft in Nederland als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat zij nog maar vier jaar oud is. Verder stelt verweerder dat geen aanleiding bestaat tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent sinds 11 februari 2021 uit Nederland is vertrokken en zich in de Verenigde Arabische Emiraten heeft gevestigd. Nu zij geen gezinsleven met haar vader uitoefent, is haar uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiseressen hebben het standpunt van verweerder, zoals verwoord in de bestreden besluit, niet gemotiveerd betwist.
In wat eiseressen verder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel.
5. De beroepen zijn daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.