Vreemdelingenrecht

Proceskostenveroordeling verweerder omdat verweerder tegemoet is gekomen aan verzoeker in beroep.

Rechtbank Den Haag, 23 juni 2023

Zaakgegevens

Op 23 juni 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
23 juni 2023
Datum publicatie
2 oktober 2023
Zaaknummer
AWB 22/5004
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:14756
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling verweerder omdat verweerder tegemoet is gekomen aan verzoeker in beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 22/5004


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2023 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit -, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: D. Meier).

Procesverloop

In het besluit van 18 maart 2022 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met als doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ' afgewezen.

In het besluit van 17 juni 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit op 13 juli 2022 bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder naar de rechtbank is doorgezonden ter behandeling als beroep.

In het besluit van 13 april 2023 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder beperking 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ' verleend.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.

Verweerder heeft de rechtbank medegedeeld dat er geen reden is om proceskosten te vergoeden aangezien eiser pas hangende bezwaar aan de vereiste voorwaarden heeft voldaan.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker. In het besluit op bezwaar van 13 april 2023 staat ook, (…) “ Naar aanleiding van uw beroep heb ik het noodzakelijk geacht om het besluit te herstellen. (…)”

4. Verzoeker heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De kostenvergoeding waar in de brief van 13 juli 2022 om is verzocht wordt niet als zodanig aangemerkt nu die brief als een beroepsschrift wordt beschouwd en ook als zodanig is doorgezonden. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).

6. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

23 juni 2023.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.