Vreemdelingenrecht

Artikel 6 / vervolgberoep / gegrond en schadevergoeding / De rechtbank is van oordeel dat verweerder na een…

Rechtbank Den Haag, 21 november 2023

Zaakgegevens

Op 21 november 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 november 2023
Datum publicatie
22 november 2023
Zaaknummer
NL23.35146
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:17946
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 6 / vervolgberoep / gegrond en schadevergoeding / De rechtbank is van oordeel dat verweerder na een aaneengesloten periode van zes maanden is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient hij bij deze belangenafweging te betrekken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.35146


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 14 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 3 oktober 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Burger van Congo nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 augustus 2023 (in de zaak NL23.22680) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. De gemachtigde van eiser voert aan dat verweerder op 30 september 2023 een verzwaarde belangenafweging had moeten toepassen, hetgeen verweerder heeft nagelaten. Dit maakt dat de maatregel vanaf 1 oktober 2023 onrechtmatig is geweest.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 2 april 2023 in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Op 14 mei 2023 is eiser aaneengesloten in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw. Volgens het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf A5/6.8 van de VC 2000, is verweerder na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring, gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient hij bij deze belangenafweging te betrekken. Eiser bevond zich op 29 september 2023 zes maanden aaneengesloten in vreemdelingenbewaring. Verweerder was dus gehouden op die datum een verzwaarde belangenafweging te maken en heeft dit nagelaten

5. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank kent eiser daarom een schadevergoeding toe vanaf 30 september 2023 tot aan de dag van de opheffing van de maatregel op 3 oktober 2023. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 400,-.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.