Vreemdelingenrecht

proces-verbaal mondelinge uitspraak, statushouder Duitsland, sterkere band met Duitsland dan met Nederland…

Rechtbank Den Haag, 30 november 2023

Zaakgegevens

Op 30 november 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
30 november 2023
Datum publicatie
4 december 2023
Zaaknummer
NL23.33853
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:18723
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

proces-verbaal mondelinge uitspraak, statushouder Duitsland, sterkere band met Duitsland dan met Nederland, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.33853


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nr.]

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Bonth).


Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Verweerder heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser van 13 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet.

2. Een asielaanvraag kan alleen niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Als een vreemdeling in een lidstaat van de EU erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, is hieraan voldaan. Bij de beoordeling van de vraag of inderdaad sprake is van internationale bescherming mag verweerder uitgaan van informatie van die andere lidstaat. Er moet daarbij sprake zijn van actuele informatie, waaruit duidelijk wordt wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is.

3. Verweerder heeft in zijn voornemen verwezen naar informatie van Duitsland waaruit blijkt dat eiser daar sinds 30 april 2016 een asielvergunning heeft. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hiermee is gedoeld op de reactie van Duitsland van 22 december 2022 op het terugnameverzoek van Nederland in een eerdere asielprocedure van eiser.

4. Uit die reactie blijkt inderdaad dat Duitsland aan eiser op 30 april 2016 de vluchtelingenstatus heeft toegekend. In het bestreden besluit heeft verweerder terecht overwogen dat het enkel verstrijken van de duur van de aan die status verbonden verblijfsrecht niet betekent dat eiser niet langer als vluchteling is erkend.

5. Op 20 november jl. heeft verweerder daarnaast nog een bericht overgelegd van 23 oktober 2023 waaruit blijkt dat de vluchtelingenstatus laatstelijk is verlengd tot 29 april 2022 en een bericht van 3 november 2023 waarin wordt ingestemd met de terugkeer van eiser naar Duitsland.

6. Gelet hierop is terecht vastgesteld dat eiser bescherming geniet in Duitsland, zodat van hem verwacht kan worden dat hij daarheen terugkeert. De enkele aanwezigheid van familieleden in Nederland betekent niet dat eiser een sterkere band heeft met Nederland.

7. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2023 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.