Vreemdelingenrecht

Dublin Duitsland, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 7 april 2023

Zaakgegevens

Op 7 april 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
7 april 2023
Datum publicatie
12 april 2023
Zaaknummer
NL23.8269
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:5083
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin Duitsland, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8269

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.8270, op 6 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

2. Eiser stelt dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest in een sociaal isolement te komen, omdat er in Duitsland geen verenigingen voor de Ahmadiyaa actief zijn. Daarnaast stelt eiser dat hij zich in Duitsland niet kan handhaven. Tevens vreest hij door de Duitse

autoriteiten te worden teruggestuurd naar Pakistan, waar zijn leven gevaar loopt. Verweerder had zijn asielaanvraag daarom aan zich moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.1

3. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. Eiser is hier niet in geslaagd.

4. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Duitsland. De stellingen van eiser dat hij in Duitsland in een sociaal isolement zal komen en dat hij zal worden uitgezet naar zijn land van herkomst, heeft hij op geen enkele manier onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Om deze reden vormen de stellingen geen aanleiding voor twijfel dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Verweerder heeft in dat verband dan ook terecht opgemerkt dat Duitsland met het claimakkoord heeft toegezegd eisers asielverzoek in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Verweerder mag er daarom vanuit gaan dat de Duitse autoriteiten de asielaanvraag van eiser zorgvuldig in behandeling zullen nemen. Bij eventuele voorkomende problemen ligt het op de weg van eiser om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Dat klagen voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Verder is niet gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet zouden kunnen of willen helpen om zijn geloof in Duitsland vrijelijk te belijden.

5. Gelet op voorgaande heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om eisers asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2023 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

[afbeelding niet beschikbaar]

1 Verordening (EU) nr. 604/2013.

[afbeelding niet beschikbaar]

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: DSR25875205

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.