Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening hangende bezwaar, mogelijke inbewaringstelling geeft spoedeisend belang, verweerder…
Rechtbank Den Haag, 13 november 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:18699 · Rechtbank Den Haag · 13 november 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-18699
Zaakgegevens
Op 13 november 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 13 november 2024
- Datum publicatie
- 13 november 2024
- Zaaknummer
- NL24.38036
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18699
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening hangende bezwaar, mogelijke inbewaringstelling geeft spoedeisend belang, verweerder verzet zich niet, verzoek toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38036
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van een voorlopige voorziening te bepalen dat hij de uitkomst van het bezwaar in Nederland mag afwachten.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De afwijzing van de aanvraag heeft tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft en dat hij uitzetbaar is. Eiser heeft aangevoerd dat hij in vreemdelingenbewaring dreigt te worden genomen. De voorzieningenrechter neemt gelet hierop onverwijlde spoed aan. Verweerder heeft op 8 oktober 2024 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure.
3. Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek, zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen en daartoe bepalen dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven tot na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit.
4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van
€ 187 vergoedt. Verder moet verweerder een vergoeding betalen voor de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde van €875 per punt en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
bepaalt dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven tot na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan verzoeker te vergoeden;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.