Vreemdelingenrecht

Asiel, Dublin Duitsland, mondelinge uitspraak

Rechtbank Den Haag, 24 november 2024

Zaakgegevens

Op 24 november 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
24 november 2024
Datum publicatie
29 november 2024
Zaaknummer
NL24.38120
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:19889
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel, Dublin Duitsland, mondelinge uitspraak

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 24 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RBDHA:2024:19889

  2. Raad van State · 9 december 2024

    ECLI:NL:RVS:2024:5054

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.38120 (beroep) en NL24.38121 (voorlopige voorziening)


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. R. Akkaya),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Inleiding

In het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag

van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland hiervoor verantwoordelijk

is.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht

om een voorlopige voorziening te treffen.

De zaken zijn samen op 25 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde

zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door

zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank en de

voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de

Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt

genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat

hiervoor verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om

terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

2. Dat eiser geen vertrouwen meer heeft in de Duitse autoriteiten omdat zijn aanvragen

al verschillende keren zijn afgewezen, is geen reden om aan te nemen dat deze aanvraag

ondeugdelijk zal worden afgehandeld. Verweerder mag op grond van het interstatelijk

vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Duitsland zich daarbij houdt aan zijn internationale

verplichtingen, zoals de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.

3. Op eisers vrees voor indirect refoulementbeginsel kan de rechtbank niet ingaan.

Daarvoor moet eiser eerst aannemelijk maken dat niet kan worden uitgegaan van het

interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat heeft eiser niet gedaan. De rechtbank verwijst hierbij

naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de

uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024.

4. Verweerder heeft ook geen reden hoeven te zien om de aanvraag op grond van

artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser heeft geen bijzondere

individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat een overdracht aan

Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Omdat de rechtbank op het beroep van eiser beslist en dit ongegrond verklaart, is

een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om

die reden af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst in de beide zaken

geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024 door mr. M. Kraefft,

(voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Verordening (EU) nr. 604/213 ECLI:EU:C:2023:934 ECLI:NL:RVS:2024:2359