Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak Dublin Duitsland
Rechtbank Den Haag, 25 november 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:19890 · Rechtbank Den Haag · 25 november 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-19890
Zaakgegevens
Op 25 november 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 25 november 2024
- Datum publicatie
- 29 november 2024
- Zaaknummer
- NL24.38113
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19890
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak Dublin Duitsland
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 25 november 2024deze uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2024:19890
Raad van State · 6 december 2024
ECLI:NL:RVS:2024:5041Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.38113 (beroep) en NL24.38114 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Deniz).
Inleiding
In het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag
van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland hiervoor verantwoordelijk
is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht
om een voorlopige voorziening te treffen.
De zaken zijn samen op 25 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde
zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door
zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank, evenals de
voorzieningenrechter, onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt
genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat
hiervoor verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om
terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser heeft aangevoerd dat zijn overdracht aan Duitsland zal leiden tot schending
van artikel 3 van het EVRM, omdat de Duitse autoriteiten niet in staat zullen zijn hem te
beschermen tegen de wraak van de AYE cult. Eiser wordt door AYE beschuldigd van fraude en is daarom met de dood bedreigd. Eiser kwam cultleden tegen in Duitsland, waarna hij besloot te vertrekken.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft
gesteld dat dit niet wegneemt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke
behandeling van eisers asielverzoek.
Duitsland is net als Nederland partij bij het EVRM. Bij voorkomende problemen kan eiser
de Duitse autoriteiten of daarvoor geschikte instanties benaderen. Niet is gebleken dat zij
eiser niet kunnen of willen helpen. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hij niet tijdig hulp
zal krijgen van de Duitse autoriteiten als hij een hulpoproep zou moeten doen.
4. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die
maken dat een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Omdat de rechtbank op het beroep van eiser beslist en dit ongegrond verklaart, is
een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om
die reden af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de uitkomst in de beide zaken
geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024 door mr. M. Kraefft,
(voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.