Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 17 december 2024

Zaakgegevens

Op 17 december 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
17 december 2024
Datum publicatie
19 december 2024
Zaaknummer
NL24.28775
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:21514
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT, pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.28775


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verzoekster heeft op 18 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag om verlening van een mvv van 29 maart 2024.

Bij besluit van 19 juli 2024 heeft verweerder de Nederlandse ambassade in Istanbul gemachtigd om aan verzoekster een mvv te verlenen.

Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en

8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken,

omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is

tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij

afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van

de Awb.

2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van

verzoekster heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig

beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoekster

tegemoetgekomen.

3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt

verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank

op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875

met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van

toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van

de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187 te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Machtiging tot voorlopig verblijf. Algemene wet bestuursrecht. Besluit proceskosten bestuursrecht.