Vreemdelingenrecht

P-V mondelinge uitspraak, Richtlijn Tijdelijke bescherming, eiser is voor vastgestelde periode uit Oekraïne…

Rechtbank Den Haag, 6 mei 2024

Zaakgegevens

Op 6 mei 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
6 mei 2024
Datum publicatie
13 mei 2024
Zaaknummer
NL23.37589
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:7171
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

P-V mondelinge uitspraak, Richtlijn Tijdelijke bescherming, eiser is voor vastgestelde periode uit Oekraïne vertrokken, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.37589


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nr.] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 1 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verblijf op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2024 in Breda op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met vooraf bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het beroep is ongegrond.

Overwegingen

1. Uit het Voorschrift Vreemdelingen 2000 volgt dat vreemdelingen die de Oekraïense nationaliteit hebben slechts vallen onder de Richtlijn tijdelijke bescherming wanneer zij na 26 november 2021 Oekraïne hebben verlaten, in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd, of als zij kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 al in Nederland verbleven. Dit is een versoepeling van het Uitvoeringsbesluit, waarin als peildatum 24 februari 2022 is vastgesteld.

2. Uit de stukken blijkt dat eiser al op 28 juli 2021 uit Oekraïne is vertrokken om in Hongarije te werken. Hij valt daarom niet onder de categorie vreemdelingen met de Oekraïense nationaliteit die recht heeft op bescherming als bedoeld in de richtlijn.

3. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. De situatie van Oekraïners die om andere redenen dan het uitbreken van het conflict zijn vertrokken is niet vergelijkbaar met de situatie van Oekraïners die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie. Dat in het Uitvoeringsbesluit als peildatum de datum van het begin van de militaire invasie wordt gehanteerd, leidt dan ook niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel.

4. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het hanteren van de peildatum leidt in het geval van eiser niet tot onevenredige gevolgen. Het staat eiser immers vrij om in Nederland de asielprocedure te doorlopen, waarbij de aangevoerde omstandigheid dat hij niet terug kan keren naar Oekraïne volledig kan worden beoordeeld. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit inhoudt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Richtl?n 2001/55/EG. Artikel 3.9a. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.