Vreemdelingenrecht
Vervolgberoep bewaring ongegrond. termijn van twee weken voor boeken vlucht acht de rechtbank in dit geval…
Rechtbank Den Haag, 7 juni 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:9005 · Rechtbank Den Haag · 7 juni 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-9005
Zaakgegevens
Op 7 juni 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 7 juni 2024
- Datum publicatie
- 11 juni 2024
- Zaaknummer
- NL24.21978
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9005
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgberoep bewaring ongegrond. termijn van twee weken voor boeken vlucht acht de rechtbank in dit geval niet onredelijk, de staatssecretaris heeft voldoende voortvarend gehandeld.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21978
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 8 april 2024.
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 22 april 2024.
3. De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
4. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 31 mei 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
6. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
7. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Uit de uitspraak van 22 april 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 16 april 2024) rechtmatig is.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
8. Volgens eiser blijkt uit de voortgangsrapportage dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. De Egyptische autoriteiten hebben op 21 mei 2024 de nationaliteit van eiser bevestigd en op 23 mei 2024 is een vluchtakkoord van de KMar ontvangen. Desondanks heeft de staatssecretaris pas een vlucht geboekt voor twee weken later, namelijk op 5 juni 2024. De staatssecretaris niet gemotiveerd waarom er niet eerder een vlucht geboekt kon worden naar Egypte. Er gaan dagelijks vluchten vanuit Amsterdam naar Egypte. Dit getuigt niet van voortvarendheid, aldus eiser.
Het betoog van eiser slaagt niet. De Egyptische autoriteiten hebben de vluchtgegevens nodig ten behoeve van de afgifte van een laissez-passer (lp). Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de staatssecretaris met de vertegenwoordiger van de Egyptische autoriteiten heeft afgesproken dat een termijn van vijf werkdagen zal worden aangehouden tussen het kenbaar maken van de vluchtgegevens en de afgifte van een lp. De rechtbank acht deze termijn niet onredelijk.
De staatssecretaris heeft de vluchtgegevens ontvangen op 24 mei 2024. Rekening houdend met vijf werkdagen (maandag 27 mei 2024 tot en met vrijdag 31 mei 2024) betekent dit de benodigde tijd voor de afgifte van een lp is verstreken op maandag 3 juni 2024. Met het boeken van een vlucht op 5 juni 2024 heeft de staatssecretaris dan ook voldoende voortvarend gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van
J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.