Vreemdelingenrecht

bewaring; vervolgberoep; ongegrond; vlucht geboekt; autoriteiten in kennis gesteld; eiser zal op korte…

Rechtbank Den Haag, 23 februari 2024

Zaakgegevens

Op 23 februari 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
23 februari 2024
Datum publicatie
13 juni 2024
Zaaknummer
NL24.5248
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:9141
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring; vervolgberoep; ongegrond; vlucht geboekt; autoriteiten in kennis gesteld; eiser zal op korte termijn worden uitgezet; verkorte belangenafweging; verweerder hoeft het risisco niet te aanvaarden dat eiser zicht niet meer zal melden zodra de uitzetting daadwerkelijk in zicht komt

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.5248

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Benayad),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit en hij is geboren op [1993] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 januari 2024 (in de zaak NL24.1412) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is. Eiser verblijft momenteel bijna één jaar in bewaring zonder uitgezet te zijn naar Marokko. Tot op heden is er geen bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat er een laissez passer (lp) is verstrekt. In de tussentijd duurt de bewaring wel voort en begint het belang van eiser om vrijgelaten te worden zwaarder te wegen, omdat eiser al bijna 12 maanden in bewaring verblijft. Gelet hierop is eiser van mening dat zijn belang dient te prevaleren en meent hij dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Zicht op uitzetting

6. Uit de voortgangsgegevens en uit het verweerschrift van 20 februari 2024 blijkt dat op 5 februari 2024 een vlucht is aangevraagd voor de uitzetting van eiser. Op 7 februari 2024 heeft verweerder de Marokkaanse autoriteiten in kennis gesteld van de vluchtgegevens. Er staat op 27 februari 2024 een vlucht gepland voor eiser. Gelet hierop is het waarschijnlijk dat eiser op korte termijn wordt uitgezet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Belangenafweging

7. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om van het voortduren van de maatregel van bewaring af te zien en het risico te aanvaarden dat eiser zich niet meer zal melden zodra de uitzetting daadwerkelijk in zicht komt. De beroepsgrond slaagt evenmin.

Ambtshalve toetsing

8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

23 februari 2024

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.