Vreemdelingenrecht
Dublin Bulgarije, interstatelijk vertrouwensbeginsel, persoonlijke ervaringen, beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 17 juni 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:9527 · Rechtbank Den Haag · 17 juni 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-9527
Zaakgegevens
Op 17 juni 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 17 juni 2024
- Datum publicatie
- 19 juni 2024
- Zaaknummer
- NL24.18046
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9527
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Bulgarije, interstatelijk vertrouwensbeginsel, persoonlijke ervaringen, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18046
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Het is niet in geschil dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Uit Eurodac volgt namelijk dat eiser op 21 maart 2023 een asielaanvraag in Bulgarije heeft ingediend. Ook heeft Bulgarije het terugnameverzoek van Nederland op 22 februari 2024 aanvaard.
2. Eiser voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel een juridisch gegeven is, maar dat hij feitelijk op mensonwaardige wijze in Bulgarije werd behandeld. In dat verband verwijst hij naar zijn persoonlijke ervaringen waarover hij in het Dublingehoor van 21 februari 2024 heeft verklaard.
3. Ten aanzien van Bulgarije mag verweerder in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in meerdere, recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij is hierin niet geslaagd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 29 februari 2024 in punt 64 geoordeeld dat bij de vraag of sprake is van een Jawo-situatie de in aanmerking te nemen situatie is die waarin de betrokkene zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden, en niet die waarin hij zich bevond toen hij die lidstaat aanvankelijk betrad. Dat betekent dat het bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bepalend is of de Dublinterugkeerder een reëel risico loopt op ernstige schade bij of na de overdracht. Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie volgt tot slot dat, wanneer eiser vindt dat Bulgarije zich niet aan zijn verplichtingen houdt, eiser daarover kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten.
4. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
5. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.