Vreemdelingenrecht

Eerste beroep bewaring – gronden betwist – lichter middel – beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag, 17 juni 2025

Zaakgegevens

Op 17 juni 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
17 juni 2025
Datum publicatie
19 juni 2025
Zaaknummer
NL25.26217
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:10767
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – gronden betwist – lichter middel – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.26217


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiseres heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiseres heeft op 16 juni 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 juni 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 juni 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Venezolaanse nationaliteit te hebben.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:


- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;


en als lichte gronden vermeld dat eiseres:


- 4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

3. Eiseres betwist in beroep alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten

grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van de zware grond 3b stelt eiseres dat zij na terugkeer naar Nederland van plan was een verblijfsvergunning aan te vragen met haar vriend. Zij is voor wat betreft de procedures in Nederland afhankelijk van hem. Eiseres spreekt de Nederlandse taal niet en is onbekend met de procedures. Zij heeft zich echter niet bewust aan het toezicht op vreemdelingen in Nederland onttrokken. Wat betreft de zware grond 3c erkent eiseres dat zij in 2024 een terugkeerbesluit heeft ontvangen. Zij heeft Nederland verlaten en daarmee voldaan aan het terugkeerbesluit. Nadien is zij teruggekeerd naar Nederland met het voornemen om haar verblijf te legaliseren, maar is aangehouden voordat zij dit kon doen.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware grond 3b terecht aan de

maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen

van onder meer de zware gronden 3b en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat

deze gronden zich feitelijk voordoen. Zoals is gemotiveerd in de maatregel was eiseres alweer geruime tijd terug in Nederland, zonder melding te doen van haar illegaal verblijf. De zware grond 3b is dan ook feitelijk juist. Dat zij geen Nederlands spreekt en weinig kennis heeft van de procedures had, doet daar niet aan af. De zware grond 3c acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Deze is ook voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Eiseres heeft immers zelf verklaard de Europese Unie niet te hebben verlaten. Zij is slechts naar Spanje gevlogen, maar is niet teruggekeerd naar Venezuela. Dit maakt dat zij geen gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit van 29 februari 2024. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiseres voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.

Lichter middel

5. Eiseres stelt dat een lichter middel had kunnen volstaan. Zij wil haar verblijf in Nederland legaliseren en heeft er geen enkel belang bij om in Nederland niet beschikbaar te blijven voor de autoriteiten.

6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Van belang is daarbij dat eiseres eerder naar Venezuela zou vertrekken, maar deze vlucht na aankomst in Spanje heeft geannuleerd. De enkele stelling van eiseres dat zij haar verblijf wenst te legaliseren en zich dit keer wel beschikbaar zal houden voor de autoriteiten is daarom onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiseres onredelijk bezwarend maken.

Ambtshalve toets

7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding

afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.