Vreemdelingenrecht

Dublin, Kroatië, gegrond, artikel 6 en artikel 17 Dvo

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2025

Zaakgegevens

Op 18 juni 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
18 juni 2025
Datum publicatie
15 juli 2025
Zaaknummer
NL25.14024
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:12675
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, Kroatië, gegrond, artikel 6 en artikel 17 Dvo

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.14024


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H.Rida. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

In zaken waarbij kinderen zijn betrokken moet het belang van het kind voorop staan. De Afdeling heeft in eerdere uitspraken over artikel 6 en artikel 17 Dublinverordering duidelijk gemaakt dat bij het scheiden van ouders en kinderen goed moet worden gekeken wat dit betekent voor het kind. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het kind van eiser nog niet geboren. Nu de rechtbank ex nunc dient te toetsen, moet met het geboren kind rekening worden gehouden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de gestelde gezinsrelatie tussen eiser en zijn kind mogelijk wordt onderbouwd door een DNA-test, zoals ter zitting aangegeven door eiser. Verweerder dient in het nieuw te nemen besluit hierover een standpunt in te nemen. Gelet hierop is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Verweerder wordt veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2025 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van K. El Mahsini, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.