Vreemdelingenrecht

Vovo hangende bezwaar, ontbreken van connexiteit, niet connex, niet-ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag, 24 juli 2025

Zaakgegevens

Op 24 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
24 juli 2025
Datum publicatie
29 juli 2025
Zaaknummer
Awb 21.7526
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:13844
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo hangende bezwaar, ontbreken van connexiteit, niet connex, niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 21/7526

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]

en

de minister Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van

verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Daarnaast heeft hij de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (AWB 21/7526) te treffen.

Bij besluit van 15 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar

beslist.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep (AWB 22/1434) ingesteld. Hij heeft de

voorzieningenrechter wederom verzocht om een voorlopige voorziening (AWB

22/1436) te treffen.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak

zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan een voorlopige voorziening alleen worden verzocht zolang er bezwaar of beroep aanhangig is. Als in afwachting van de uitkomst van een bezwaar is verzocht om een voorlopige voorziening, op het bezwaar wordt beslist en er beroep wordt ingesteld voordat op het verzoek is beslist, dan wordt het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.

2. Dat betekent dat het voorliggende verzoek om voorlopige voorziening onder nummer AWB 21/7526 van rechtswege is gericht tegen het bestreden besluit van 15 februari 2025. Bij uitspraken van 27 mei 2022 heeft de rechtbank echter al beslist op het tegen dit besluit ingestelde beroep, en ook op het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 22/1436. Als gevolg hiervan is nu niet langer sprake van een bezwaar of beroep in verband waarmee om een voorlopige voorziening kan worden gevraagd.

3. Gelet op het voorgaande zal het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2025 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Algemene wet bestuursrecht. Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 27 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5302 en ECLI:NL:RBDHA:2022:5303.