Vreemdelingenrecht

volgberoep bewaring, zicht op uitzetting, voortvarendheid, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2025

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 augustus 2025
Datum publicatie
12 augustus 2025
Zaaknummer
25.34750
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:14951
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

volgberoep bewaring, zicht op uitzetting, voortvarendheid, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.34750


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 2 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

1.2.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 19 juni 2025. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 13 juni 2025 rechtmatig is.

4. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen en overweegt daartoe als volgt.

5. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko of Algerije, en dat aan hem zelf is verteld dat hij geen laissez-passer zou krijgen. Ook is er binnen 12 weken na de aanvraag nog geen reactie is gekomen van de Marokkaanse autoriteiten op de aanvraag.

5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers enkele stelling dat hem is verteld dat hij geen laissez-passer zal krijgen, faalt, omdat deze niet is onderbouwd en geen steun vindt in het dossier. De rechtbank is verder van oordeel dat op dit moment nog steeds zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije of Marokko aanwezig is.

6. Daarnaast voert eiser aan dat de minister niet voortvarend handelt, omdat enkel is volstaan met een algemeen rappel, en dat er op dossierniveau had moeten worden geïnformeerd.

6.1.

Ook deze beroepsgrond faalt. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het dossier blijkt dat een vertrekgesprek is gehouden op 14 juli 2025, dat er een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten is geweest op 24 juli 2025 en dat de LP-aanvraag nog steeds in onderzoek is.

7. De rechtbank ziet verder geen rechtmatigheidsgebreken of gronden om de voortduring van de maatregel onrechtmatig te achten.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bewaring in de periode van 13 juni 2025 tot en met 8 augustus 2025 rechtmatig voortduurt. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RBDHA:2025:10689.