Vreemdelingenrecht
Plaatsingsbesluit + vrijheidsbeperkende maatregel. Beroepen ongegrond. Rechtbank gaat uit van verslaglegging…
Rechtbank Den Haag, 7 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:1625 · Rechtbank Den Haag · 7 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-1625
Zaakgegevens
Op 7 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 7 februari 2025
- Datum publicatie
- 7 februari 2025
- Zaaknummer
- NL24.51440 en AWB24/21436
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Plaatsingsbesluit + vrijheidsbeperkende maatregel. Beroepen ongegrond. Rechtbank gaat uit van verslaglegging COa. Incident terecht aangemerkt als zijnde zeer grote impact. Terecht geen lichtere maatregel.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51440 en AWB24/21436
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaken tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Jeminitische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,
evenals
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 25 november 2024, waarbij het COa heeft besloten om eiser vanaf 25 november 2024 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen.
Het COa heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen op de zitting. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Op 20 november 2024 heeft eiser zich dreigend en agressief uitgelaten tegen medewerkers en beveiligers. Eiser begon te schreeuwen aan de meedoenbalie, te schelden in het Arabisch bij de balustrade, duwde de beveiliger en dreigde met brandstichting. Eiser heeft vervolgens, in de ochtend van 21 november 2024, bedreigende berichten gestuurd naar een GGZ-medewerker. In deze berichten dreigt eiser de opvanglocatie in brand te steken, de COa-medewerkers iets aan te doen en met zelfdoding. Eiser heeft deze dreigementen in nadere gesprekken bekrachtigd. Het COa heeft aan eiser geen lichtere maatregel opgelegd. Eiser heeft namelijk voor eerdere incidenten ROV-maatregelen, een leermaatregel en verschillende time-outmaatregelen opgelegd gekregen, die niet hebben geleid tot positieve gedragsverandering.
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten, dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij op 21 november heeft gezegd dat hij de opvanglocatie in brand wilde steken, dat hij COA-medewerkers iets aan zou doen en dat hij zichzelf van het leven wilde beroven. De rechtbank gaat dan ook uit van de verslaglegging van het COa.
De rechtbank is van oordeel dat het incident terecht is aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Daarvoor vindt de rechtbank van belang dat eiser ernstige bedreigingen heeft geuit in de berichten aan de GGZ-behandelaar, dat eiser zich de dag daarvoor ook al dreigend heeft uitgelaten en dat hij deze bedreigingen in de gesprekken erna heeft bekrachtigd. Eisers stelling dat het niet zijn intentie is geweest om iemand te bedreigen of zijn bedreigingen daadwerkelijk uit te voeren, maakt zijn gedragingen en de impact daarvan niet anders. Eiser heeft meermaals aangegeven uitvoering te zullen geven aan deze bedreigingen. Eisers - niet nader onderbouwde - stelling dat zijn handelingen voortvloeien uit zijn suikerziekte is onvoldoende om hier anders over te oordelen. Eiser stelt tot slot dat hij was gekalmeerd op het moment dat hij met de wijkagent praatte en dat ook dat niet wijst op een daadwerkelijke dreiging. Ook daarvan vindt de rechtbank, dat dit niets afdoet aan de impact van de handelingen van eiser voorafgaand aan dat moment. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa terecht geen lichtere maatregel aan eiser op heeft gelegd. Eerdere maatregelen hebben gelet op de incidenten op 20 en 21 november 2024 geen effect gehad en hebben er niet voor gezorgd dat bij eiser een positieve gedragsverandering teweeg is gebracht.
5. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart de beroepen ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 7 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.