Vreemdelingenrecht
beroep tegen niet tijdig beslissen, BNT, besluitmoratorium, Syrië, beroep gegrond, 21 maanden verstreken…
Rechtbank Den Haag, 9 oktober 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:22403 · Rechtbank Den Haag · 9 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-22403
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2025
- Datum publicatie
- 27 november 2025
- Zaaknummer
- NL25.30143
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22403
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
beroep tegen niet tijdig beslissen, BNT, besluitmoratorium, Syrië, beroep gegrond, 21 maanden verstreken ingevolge Procedurerichtlijn, twee weken beslistermijn
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30143
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft, ondanks een verzoek van de rechtbank, geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2. Eiser heeft op 15 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verweerder op 17 juni 2025 in gebreke gesteld, waarna hij op 8 juli 2025 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
3. Eiser is afkomstig uit Syrië. Op 11 december 2024, in de Staatscourant gepubliceerd op 13 december 2024, heeft verweerder voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld voor zes maanden. Gedurende de tijd dat dit moratorium van kracht is, beslist de minister niet op de asielaanvraag. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot ten hoogste 21 maanden na de asielaanvraag. Het besluit- en vertrekmoratorium is komen te vervallen op 14 juni 2025.
4. Het besluitmoratorium is van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Dat geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden al is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium. De aanvraag van eiser van 15 september 2023 valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het besluitmoratorium.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in ieder geval op 15 juni 2025 had moeten beslissen op de asielaanvraag. Op die datum verstreek namelijk de maximale beslistermijn van 21 maanden. De door eiser ingediende ingebrekestelling en beroep zijn tijdig ingediend. De maximale termijn van 21 maanden is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag van eiser te beslissen, maar uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van Awb dat verweerder een dwangsom van € 200,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-
7. Omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld, zal verweerder in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
draagt verweerder op om zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen en bekend te maken;
-
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200,- verbeurt voor iedere dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; en,
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Özçelik, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.