Vreemdelingenrecht
Artikel 59 / gebrek bij ID gehoor want bleek dat eiser wil rechtsbijstand wilde hebben / geen gebrek in…
Rechtbank Den Haag, 4 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:23326 · Rechtbank Den Haag · 4 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-23326
Zaakgegevens
Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 december 2025
- Datum publicatie
- 8 december 2025
- Zaaknummer
- NL25.57105
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23326
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 59 / gebrek bij ID gehoor want bleek dat eiser wil rechtsbijstand wilde hebben / geen gebrek in Poolse folder / gronden niet bestreden / geen lichter middel / ongegrond + pkv
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57105
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.B. Stammis-Grzegorczyk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert – kort samengevat – aan dat er een gebrek is in de ophouding. Bij het ophoudgehoor heeft eiser te kennen gegeven dat hij een advocaat wenst bij het gehoor, waarna verweerder een piketmelding heeft gedaan. Het ophoudgehoor heeft vervolgens plaatsgevonden zonder rechtsbijstand. Verder is in de Poolse vertaling van de maatregel een verkeerde reden aangekruist waarom de maatregel wordt gevorderd. Volgens eiser is hiermee niet voldaan aan artikel 5.3 van het Vb, wat de maatregel onrechtmatig maakt. Tot slot meent eiser dat verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel. Er had door verweerder na het gehoor een kenbare belangenafweging moeten plaatsvinden.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Uit de M105 (Proces-verbaal van ophouding en onderzoek) blijkt dat eiser op 20 november 2025 om 17:15 uur is opgehouden na staandehouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Om 17:22 uur is eiser gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat tijdens het gehoor. Eiser heeft verklaard hiervan gebruik te willen maken. Hierna is melding bij het vreemdelingenpiket gedaan. Het gehoor in het kader van de ophouding is om 18:07 uur aangevangen zonder dat daar een advocaat bij aanwezig was. Uit de M105 blijkt niet dat eiser aan het begin van het gehoor nogmaals is gevraagd of hij bijgestaan wil worden door een advocaat. Voor de zitting heeft verweerder nog twee processtukken toegevoegd die afkomstig zijn van de AVIM. Hieruit volgt dat eiser zou hebben verklaard “Ik vind het prima dat u mij nu vragen stelt en dat de advocaat mij later bezoekt”. Deze verklaring van eiser is echter niet opgenomen in de M105. Nu eiser volgens de M105 heeft verklaard gebruik te willen maken van een advocaat tijdens het gehoor en het ophoudgehoor heeft plaatsgevonden zonder advocaat, is sprake van een gebrek.
5.1. Dit gebrek maakt de maatregel pas onrechtmatig als de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, aangezien eiser na het gehoor in het kader van de ophouding, maar vóór het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, contact heeft gehad met zijn gemachtigde. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangen die met de bewaring zijn gediend, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek. De rechtbank zal verweerder vanwege het geconstateerde gebrek, wel veroordelen in de proceskosten.
6. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat in de Poolse vertaling van de maatregel een verkeerde reden voor het vorderen van de maatregel is aangekruist. Echter, uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat de maatregel met behulp van een tolk aan eiser is toegelicht. Eiser is daarbij geïnformeerd over de redenen van de maatregel, de mogelijkheid om hiertegen beroep in te stellen en het recht op rechtsbijstand. Deze informatie is bovendien bevestigd in de aan hem uitgereikte folder. Daarmee is eiser voldoende geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Niet is gebleken dat eiser door de vergissing in de vertaalde folder daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde gebrek niet leidt tot onrechtmatigheid van de maategel. De belangenafweging valt daarmee in het voordeel van verweerder uit.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichten gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat eiser in het vertrekgesprek van 24 november 2025 heeft verklaard dat hij weer terug zal keren naar Nederland. Ook was eiser niet in staat om zijn eigen terugreis te bekostigen.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. De rechtbank ziet in het onder rechtsoverweging 5.1. geconstateerde gebrek wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.