Vreemdelingenrecht

bewaring, art. 59 VW, refeert zich aan het oordeel, geen gronden, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 15 december 2025

Zaakgegevens

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
15 december 2025
Datum publicatie
17 december 2025
Zaaknummer
NL25.58631
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:24123
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring, art. 59 VW, refeert zich aan het oordeel, geen gronden, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58631


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Bozkürt).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025, met behulp van een audioverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Mocht de minister eiser in bewaring stellen?

1. Eiser betwist de redenen die ten grondslag liggen aan de bewaring, de onderbouwing van die redenen, en het daaruit voortvloeiende risico op onderduiken niet. De gemachtigde van eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Dat betekent dat de gemachtigde de beoordeling van de juistheid van de maatregel volledig overlaat aan de rechtbank.

1.1.

Op de zitting heeft de minister lichte gronden 4e en 4f laten vallen.

1.2.

In de door de minister en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X)