Vreemdelingenrecht
asiel. beroep ongegrond. opvolgende aanvraag. aanvraag buiten behandeling gesteld want eiser niet meegewerkt…
Rechtbank Den Haag, 22 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28043 · Rechtbank Den Haag · 22 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-28043
Zaakgegevens
Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 december 2025
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.53507 en NL25.53508
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:28043
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
asiel. beroep ongegrond. opvolgende aanvraag. aanvraag buiten behandeling gesteld want eiser niet meegewerkt met gehoor opvolgende aanvraag. geen informatie verstrekt dus verweerder kan niet beoordelen of er sprake is van reëel risico op ernstige schade
Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53507 en NL25.53508
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Radema).
Eiser heeft op 28 september 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van verweerder aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben bericht niet te verschijnen.
Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de rechtbank onmiddellijk op zitting mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser heeft de Oezbeekse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Eiser heeft op 8 juli 2022 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Deze aanvraag is afgewezen door verweerder en bij uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025 is de afwijzing onherroepelijk geworden. Eiser heeft op 28 september 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het huidige bestreden besluit.
3. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser heeft geweigerd mee te werken aan het gehoor en heeft daarmee geweigerd om informatie te verstrekken die belangrijk is voor zijn aanvraag.
4. Eiser betoogt – in het kort – dat hij duidelijk is geweest over waarom hij bij het gehoor niet wilde samenwerken met de betreffende tolk. Hij wist uit eerdere ervaring dat de communicatie met deze tolk voor hem niet goed zou werken omdat hij hem moeilijk kon verstaan. Eiser vindt dat verweerder onvoldoende met hem heeft samengewerkt om tot een oplossing te komen om hem verder te horen. Ook vindt eiser dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod een onderzoek had moeten doen naar het risico op refoulement bij terugkeer naar zijn land van herkomst en niet zomaar kon verwijzen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen nu eiser heeft geweigerd om informatie te verstrekken die belangrijk is voor zijn aanvraag. Eiser had op 7 oktober 2025 zijn gehoor opvolgende aanvraag gepland staan. Eiser heeft echter bij aanvang aangegeven dat hij het gehoor niet wilde afleggen vanwege de bijbehorende tolk. Eiser gaf hiervoor als reden dat de tolk geen Oezbeek is en dat eiser hem daarom niet zal begrijpen en ook dat hij alleen samen wil werken met een tolk genaamd Hamza. Verder heeft eiser verklaard dat de bijbehorende tolk hem de dag ervoor heeft getolkt maar dat het probleem is dat de tolk wel goed Oezbeeks spreekt maar dat eiser zelf niet vloeiend Oezbeeks spreekt. Verweerder mocht dit bevreemdend vinden nu eiser bij zijn nader gehoor op 21 oktober 2024 in zijn vorige procedure juist heeft verklaard dat hij een Oezbeekse tolk wilde hebben. Verder mocht verweerder betrekken dat eiser al bij de uitnodigingsbrief van 20 september 2025 was medegedeeld dat het gehoor met een Oezbeekse tolk zal worden afgenomen en hier heeft eiser toen geen bezwaar tegen gehad.
Daarbij slaagt het betoog van eiser niet dat verweerder onvoldoende heeft samengewerkt met eiser. De algemene asielprocedure vraagt spoed en verweerder heeft eiser driemaal de kans gegeven om mee te werken aan het gehoor en heeft de consequenties uitgelegd wanneer eiser niet zou meewerken aan het gehoor. Nu eiser bleef weigeren om mee te werken heeft verweerder dit aan hem mogen toerekenen. Eiser was ook niet aanwezig op zitting om het een en ander nader toe te lichten.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
6. Eiser voert tot slot aan dat verweerder nader moet motiveren waarom het terugkeerbesluit, gelet op de arrest Ararat, gehandhaafd wordt ondanks het gebrek in onderzoek naar de asielmotieven.
7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, nu eiser heeft nagelaten om zijn asielaanvraag te onderbouwen en informatie te geven tijdens zijn gehoor opvolgende aanvraag, verweerder ook niet kan beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Ook anderszins biedt het dossier geen aanknopingspunten dat eiser bij terugkeer naar Oezbekistan heeft te vrezen voor een schending van het beginsel van non-refoulement. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ook in beroep geen melding heeft gemaakt van dergelijke omstandigheden.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
griffier, mr. J.L. Maats rechter, mr. J. J. P. Bosman
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.