Vreemdelingenrecht
Visum kort verblijf, twijfel tijdige terugkeer, beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 4 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:3184 · Rechtbank Den Haag · 4 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-3184
Zaakgegevens
Op 4 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 4 februari 2025
- Datum publicatie
- 4 maart 2025
- Zaaknummer
- AWB 24-11065
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3184
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Visum kort verblijf, twijfel tijdige terugkeer, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11065
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van zijn aanvraag van 7 juli 2023 tot het verlenen van een visum kort verblijf.
De minister heeft de aanvraag tot het verlenen van een visum kort verblijf met het besluit van 11 augustus 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] (referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn broer [A] (de referent in deze procedure) te bezoeken. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van (voldoende) sociale en economische binding met Marokko. De minister heeft de aanvraag getoetst aan en afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef onder ii, en onder b, van de Visumcode.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank overweegt als volgt. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld het arrest Koushkaki) beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit het arrest Koushkaki volgt ook dat de verplichting van de autoriteiten van de lidstaten tot het afgeven van een visum veronderstelt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren. Bij de beoordeling of die twijfel bestaat dienen de autoriteiten rekening te houden met enerzijds de algemene situatie in het land van de aanvrager en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, eventuele eerdere (il)legale verblijven in de lidstaten en de banden met het land waarin hij woont en in de lidstaten. Het is aan de visumaanvrager om informatie te verstrekken die de twijfel kan wegnemen.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het visum voor kort verblijf heeft mogen weigeren op de grond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Twijfel over tijdige terugkeer
5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte twijfelt over zijn voornemen om tijdig terug te keren. Eiser wijst er allereerst op dat vroeger van Oost-Europese staten schande werd gesproken omdat hun burgers niet vrij waren om uit te reizen. Ze hadden een uitreisvisum nodig en als een uitreisvisum werd verstrekt moesten de familieleden achterblijven om te verzekeren dat de betreffende burger zou terugkeren. Volgens eiser komt de minister nu ook op zo’n manier tot een weigering van het visum. Verder voert eiser aan dat hij wel degelijk sociale binding heeft met Marokko, onder meer omdat hij mantelzorger is van zijn moeder. Het is ongepast dat de minister hem tegenwerpt dat hij zelf heeft aangetoond niet onmisbaar te zijn omdat hij voor de duur van zijn afwezigheid voor vervanging heeft gezorgd. Mantelzorgers hebben immers ook recht op periodieke rust en een vakantie. Verder is er volgens eiser wel degelijk economische binding met Marokko, omdat hij boer is. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een “attestation de profession” overgelegd. Dat het document is afgegeven op basis van informatie die eiser zelf heeft aangeleverd, betekent niet dat het nietszeggend is. In Nederland gebeurt de inschrijving in de Kamer van Koophandel immers ook door een door de ondernemer ingevuld formulier. Volgens eiser zou de minister ook niet eens genoegen nemen met een verklaring van een accountant, maar zou de minister alle onderliggende documenten willen hebben. Dat is volgens eiser geen redelijk beleid meer.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van een zodanige sociale binding met Marokko dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. De minister mocht hierover in het bestreden besluit overwegen dat eiser geen gezin heeft in Marokko en dat de enkele aanwezigheid van zijn moeder, broer en zus niet zonder meer genoeg is om te waarborgen dat hij tijdig terugkeert. De minister mocht zich daarbij over de moeder van eiser op het standpunt stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat niemand anders de zorg voor haar kan overnemen. De minister mocht daarbij de verklaring van eiser betrekken dat zijn broer gedurende zijn voorgenomen verblijf van 45 dagen voor zijn moeder kan zorgen. Dat dit ongepast is, omdat eiser als mantelzorger ook recht heeft op periodieke rust en een vakantie, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht ook van belang dat de referent op de zitting heeft verklaard dat eiser gedurende het verblijf van eiser in Nederland iemand kan inhuren die tegen betaling voor hun moeder de zorg op zich neemt. Uit die verklaring blijkt ook niet dat eiser een zodanig belangrijke rol heeft in de zorg voor zijn moeder dat hij niet of moeilijk te vervangen is. Verder mocht de minister ook de economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond achten. De minister mocht zich daarbij op het standpunt stellen dat aan de overgelegde “attestation de profession” niet de waarde kan worden gehecht die eiser wenst, omdat hieraan geen (objectieve) documenten aan ten grondslag liggen. De minister mocht ook bij zijn oordeel betrekken dat uit de overgelegde bankafschriften niet blijkt dat er loon of andere vormen van inkomsten worden gestort. Over de stelling van de minister dat op het vragenformulier is ingevuld dat eiser werkloos is, overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft betoogd dat dit een vergissing is; in antwoord op de vraag daarvóór is namelijk ingevuld dat eiser boer is. De referent heeft ook bevestigd dat eiser nog steeds boer is. Dat doet er echter niet aan af dat uit het ingevulde vragenformulier niet blijkt dat eiser een regelmatig en substantieel inkomen heeft. Er is namelijk bij verschillende vragen over het werk en het inkomen van eiser “n.v.t” ingevuld.
7. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van het visum weer te verlaten. Nu deze weigeringsgrond reeds voldoende is om tot afwijzing van de aanvraag te komen, behoeven de overige afwijzingsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eiser geen visum voor kort verblijf hoefde te verstrekken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: