Vreemdelingenrecht
Vervolgberoep; ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 7 april 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:5896 · Rechtbank Den Haag · 7 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-5896
Zaakgegevens
Op 7 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 7 april 2025
- Datum publicatie
- 10 april 2025
- Zaaknummer
- NL25.13766
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5896
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgberoep; ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13766
uitspraak van de enkelvoudige kamer van *** in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 3 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 31 maart 2025.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (21 februari 2025) rechtmatig is.
Is er zicht op uitzitting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat geen redelijk zicht op uitzetting bestaat naar Tunesië. Ondanks de volledige medewerking van eiser is het tot op heden niet gelukt om hem te presenteren bij de autoriteiten. Uit de voortgangsrapportage volgt dat de minister regelmatig rappelleert bij de Tunesische autoriteiten maar dat dit niet tot een presentatie lijdt. Daarbij komt dat het uit de overgelegde stukken niet blijkt dat eiser beschikt over een identiteitsbewijs. Door de hiervoor genoemde omstandigheden is het volgens eiser uitgesloten dat aan hem een laissez-passer zal worden verstrekt.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit in zijn geval anders is. Uit de M120 blijkt dat er op 5 december 2024 een laissez passer-aanvraag is gedaan en dat deze tot op heden in behandeling is bij de Tunesische autoriteiten. Aan de Tunesische autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez passer in orde te maken. Dat eiser geen gebrek aan medewerking toont maakt dit niet anders.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Eiser heeft zijn overige gronden die zien op het voortvarend handelen van de minister en de belangenafweging niet onderbouwd. De rechtbank toetst deze gronden en het voortduren van de maatregel dan ook ambtshalve. De rechtbank ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren vanwege onrechtmatigheid van de bewaring.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.