Vreemdelingenrecht

HTL, artikel 56 Vw 2000, meerdere incidenten met grote impact, de rechtbank zal daarom in het midden laten of…

Rechtbank Den Haag, 30 april 2025

Zaakgegevens

Op 30 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
30 april 2025
Datum publicatie
30 april 2025
Zaaknummer
NL25.12542 en AWB 25/6224
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:7305
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HTL, artikel 56 Vw 2000, meerdere incidenten met grote impact, de rechtbank zal daarom in het midden laten of sprake is van één incident met zeer grote impact, beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.12542 en AWB 25/6224


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 2 maart 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 2 maart 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen.

1.1.

Het COa en de minister hebben op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister en het COa. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Oordeel van de rechtbank

2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel en de plaatsing van eiser in de HTL rechtmatig zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. Uit de verslaglegging van het COa blijkt het volgende. Eiser heeft op 28 februari 2025 een locatieverbod genegeerd en agressief gedrag vertoond. Ondanks herhaalde oproepen van COa-medewerkers aan eiser om te vertrekken, is hij op een bepaald moment in zijn zakken gaan zoeken naar een onbekend voorwerp. Dit is door COa-medewerkers als bedreigend ervaren. Daarna heeft eiser een kind opzij geduwd, met zijn vuisten hard op tafel geslagen, COa-medewerkers bedreigd en een aansteker tegen een glazen schuifdeur gegooid. Eiser is door de politie staandegehouden en met handboeien afgevoerd.

5. De rechtbank vindt dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.

5.1.

De rechtbank overweegt dat het COa het incident gedetailleerd heeft weergegeven.

De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser op de zitting dat het incident anders is verlopen dan zoals vastgelegd in het COa-dossier is onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken.

5.2.

De rechtbank begrijpt dat het besluit zo moet worden opgevat dat het COa zich op het standpunt stelt dat ofwel sprake is van één incident met zeer grote impact of anders van meerdere incidenten met grote impact die een HTL-plaatsing rechtvaardigen. De rechtbank vindt dat het COa voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van meerdere incidenten met grote impact. Uit de gegevens van het COa blijkt dat eiser zeer vaak betrokken is geweest bij “agressie en geweld tegen personen verbaal” en ook twee keer bij “agressie en geweld tegen personen fysiek”. Dat eiser stelt dat de HTL-plaatsing onevenredig bestraffend is vanwege het verlies aan inkomsten volgt de rechtbank niet. Met eiser zijn diverse concrete afspraken gemaakt om zijn gedrag te verbeteren. Ook zijn er verschillende ROV-maatregelen, time-outs, en een eerdere HTL-plaatsing opgelegd. Dit heeft alleen niet tot de gewenste gedragsverandering geleid. Daarnaast kan ook het incident van 28 februari 2025 gekwalificeerd worden als een incident met grote impact, omdat het gedrag van eiser als doel had anderen te bedreigen. Dat eiser stelt dat het incident wel meeviel, dat hij gefrustreerd was vanwege het niet ontvangen van zijn post en bankpas en dat hij zelf werd uitgedaagd, maakt dat niet anders. De rechtbank zal daarom in het midden laten of sprake is van één incident met zeer grote impact, omdat de meerdere incidenten met grote impact de HTL-maatregel al kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.


Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, op 30 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Vreemdelingenwet 2000.