Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep – bewaring – artikel 59b van de Vw – lichter middel – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 30 april 2025

Zaakgegevens

Op 30 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
30 april 2025
Datum publicatie
1 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18509
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:7466
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep – bewaring – artikel 59b van de Vw – lichter middel – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18509


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 april 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1976 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 12 maart 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Uit het door verweerder overgelegde voortgangsrapport volgt dat eisers asielaanvraag op 11 april is afgewezen als ongegrond. Eiser heeft op 17 april 2025 beroep ingesteld en gelijktijdig verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Hieruit volgt dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder h. van de Vw. Gelet op het bepaalde in artikel 59b, derde lid, van de Vw kan de maatregel dan nog drie maanden voortduren op de door verweerder gekozen grondslag.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit stadium van de inbewaringstelling niet kan worden volstaan met een lichter middel dan bewaring. Verweerder dient in aanvulling op de gronden te beoordelen of eiser bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken. Dat heeft verweerder echter niet gedaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In wat eiser aanvoert, wordt geen aanleiding gezien om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. In haar uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de in de maatregel opgenomen motivering voldoende is voor het oordeel dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het door eiser niet weersproken onttrekkingsrisico te ondervangen. Vastgesteld wordt dat thans de grondslag onveranderd is en de gronden van de maatregel onverminderd aanwezig zijn. Er is dan ook nog steeds sprake van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken als een lichter middel dan bewaring wordt toegepast. Verder is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken.

7. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

ECLI:NL:RBDHA:2025:4172.