Vreemdelingenrecht
Verzoek om een voorlopige voorziening bij beroep afgewezen.
Rechtbank Den Haag, 23 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:10004 · Rechtbank Den Haag · 23 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-10004
Zaakgegevens
Op 23 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 23 april 2026
- Datum publicatie
- 29 april 2026
- Zaaknummer
- NL26.18350
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10004
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om een voorlopige voorziening bij beroep afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18350
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [V-nummer 1] , en
[verzoekster] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer 2]
mede namens hun minderjarige kind [kind]
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen omdat Roemenië daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoekers hebben beroep (NL26.18349) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL26.18349 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.