Vreemdelingenrecht
Asiel. Vertrek met onbekende bestemming. Beroep niet-ontvankelijk.
Rechtbank Den Haag, 30 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:10359 · Rechtbank Den Haag · 30 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-10359
Zaakgegevens
Op 30 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 30 april 2026
- Datum publicatie
- 1 mei 2026
- Zaaknummer
- NL 26 7811
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10359
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel. Vertrek met onbekende bestemming. Beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7811
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Voordat een beroep inhoudelijk kan worden behandeld, moet de bestuursrechter uit zichzelf beoordelen of er sprake is van procesbelang.
2. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om aan te geven of zij nog actueel contact onderhoudt met eiser.
3. In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met name de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Er is daarmee geen procesbelang meer aanwezig. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.