Vreemdelingenrecht

Dublin Duitsland. Beroep niet-ontvankelijk – geen procesbelang – eiseres mob.

Rechtbank Den Haag, 28 april 2026

Zaakgegevens

Op 28 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
28 april 2026
Datum publicatie
4 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16941
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:10467
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin Duitsland. Beroep niet-ontvankelijk – geen procesbelang – eiseres mob.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16941


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [minderjarige], V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Gart),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H. van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres is niet verschenen en haar gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij het beroep.

3. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024.

4. Op 14 april 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken op 7 april 2026. In het bericht van 14 april 2026 heeft de gemachtigde van eiseres in reactie hierop aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiseres. Daarbij heeft de gemachtigde laten weten dat eiseres wel op de hoogte is van de zittingsdatum. Eiseres is niet op de zitting verschenen.

5. Gelet hierop, neemt de rechtbank aan dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij geen prijs meer stelt op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiseres heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

28 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RVS:2024:2662.