Vreemdelingenrecht

P-v mondelinge uitspraak bewaring, artikel 6 lid 3, bezwarendheid, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 26 mei 2026

Zaakgegevens

Op 26 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 mei 2026
Datum publicatie
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26993
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:14474
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

P-v mondelinge uitspraak bewaring, artikel 6 lid 3, bezwarendheid, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.26993

V-nummer: [v-nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Nyembo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

2. Eiseres voert ter zitting aan dat de detentie haar zwaar valt. Ze heeft veel last van stress en piekeren. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Eiseres heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel desgevraagd heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de maatregel en gezond te zijn. Verweerder heeft in de maatregel dus mogen verwijzen naar de medische dienst in het detentiecentrum. De rechtbank begrijpt dat eiseres de detentie als zwaar ervaart, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar klachten zodanig zijn, dat de maatregel daarom onevenredig is of dat de medische dienst onvoldoende is. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de vrijheidsontnemende maatregel mocht worden opgelegd en mocht voortduren.

3. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de grensdetentie op enig moment onrechtmatig was.

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026 door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.