Vreemdelingenrecht

asiel – MOB – beroep niet ontvankelijk – mondelinge uitspraak.

Rechtbank Den Haag, 3 juni 2026

Zaakgegevens

Op 3 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
3 juni 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
NL25.43576
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15016
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

asiel – MOB – beroep niet ontvankelijk – mondelinge uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.43576


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij het besluit van 2 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande afmelding, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

2. Het juridische uitgangspunt is dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, ervan uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt en de gemachtigde daaruit ook afleidt dat de vreemdeling door wil gaan met de procedure. Daar is geen sprake van.

3. Bij bericht van 28 mei 2026 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat eiser op 19 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht hierop te reageren. Uit het bericht van 2 juni 2026 volgt dat zij geen contact meer heeft met eiser en dat het laatste contact dateert van 6 april 2026, toen zij nog een e-mail van eiser heeft ontvangen. Dit alles leidt tot de conclusie dat eiser niet langer prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen belang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Zie in deze zin ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.