Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening. De minister verzet zich niet tegen de toewijzing van de voorlopige…

Rechtbank Den Haag, 5 juni 2026

Zaakgegevens

Op 5 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 juni 2026
Datum publicatie
8 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23667 en NL26.23668
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15410
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening. De minister verzet zich niet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.23667

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

geboren op [geboortedag] 1985, van Nepalese nationaliteit

(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor de verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de gecombineerde vergunning voor arbeid en verblijf (GVVA) afgewezen.

Op 19 maart 2026 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij op 24 april 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken bij zijn werkgever.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op 19 mei 2026 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

1.1.

Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat verzoeker mag blijven werken bij zijn werkgever totdat op zijn bezwaar is beslist.

1.2.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte kosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat

verzoeker mag werken bij zijn werkgever totdat op zijn bezwaar is beslist;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van €200,- aan verzoeker moet vergoeden; en,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Besluit proceskosten bestuursrecht.