Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 1985. Eiser is in 2019/2020 naar Turkije vertrokken en heeft op 24 januari 2024 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
3.1.
Eiser lijdt aan aids en heeft op 29 september 2025 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In het besluit van 18 februari 2026 is aan eiser uitstel van vertrek verleend van 3 november 2025 tot 3 november 2026, omdat de noodzakelijke medische behandeling voor aids niet beschikbaar is in Syrië.
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Aleppo en Syrië. Hij stelt te zijn vertrokken uit Syrië wegens onrecht en armoede. Eiser woonde met zijn vrouw bij zijn familie in, maar de families waren tegen het huwelijk. Eiser werd beledigd door zijn familie en schoonfamilie. Eiser en zijn vrouw zijn toen op straat gezet door eisers familie. Eiser is met zijn gezin naar Turkije vertrokken en is daar in 2023 ook weer vertrokken wegens de ondervonden discriminatie en omdat zijn dochters niet naar school kunnen gaan. Daarnaast is de dochter van eiser ziek en zij kan in Turkije niet behandeld worden. Ook eiser en zijn vrouw hebben een infectieziekte waarvoor ze in Turkije niet behandeld kunnen worden. Wegens deze ziekte willen de families niks met eiser en eiseres te maken hebben. Eiser wordt door zijn broer en zwager bedreigd wegens zijn ziekte. Eiser kan daarnaast in Syrië ook niet behandeld worden voor zijn ziekte. Hij vreest bij terugkeer voor zijn (schoon)familie en de gevolgen van zijn ziekte.
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eisers problemen met zijn familie.
Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht, maar het tweede asielmotief niet.
5.1.
Verweerder heeft de gestelde problemen met eisers familie niet geloofwaardig geacht om de volgende redenen. Eiser heeft zijn asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. Daarnaast is niet voldaan aan de voorwaarde uit artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel, om de volgende redenen. Eiser heeft vaag en wisselend verklaard over het bekend maken van zijn diagnose en de bedreigingen die hij heeft ontvangen. Eiser heeft verder niet samenhangend en aannemelijk verklaard over zijn reden om naar Europa te komen. Eiser heeft ten slotte vaag en wisselend verklaard over de problemen met zijn familie toen hij in Syrië woonde.
5.2.
Verweerder heeft zich voor het overige op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade zou lopen. Dat eiser uit Syrië afkomstig is, is op zichzelf niet genoeg om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij is ook eisers ziekte onvoldoende om dat aan te nemen. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder neemt voor Syrië namelijk aan dat er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, en dat eisers individuele omstandigheden niet maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser door zijn ziekte in een zeer ernstige medische situatie terecht zal komen maakt deze toets niet anders.
5.3.
Verweerder heeft eiser ook geen verblijfsvergunning regulier verleend. Tegen eiser is verder een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken.
5.4.
In het besluit van 18 februari 2026 waarin aan eiser uitstel van vertrek is verleend omdat hij voldoet aan artikel 64 van de Vw, heeft verweerder de vertrektermijn in het bestreden besluit opgeschort.
Nieuw asielmotief in beroep
6. Eiser heeft in de aanvullende beroepsgronden van 7 mei 2026 een nieuw asielmotief aangevoerd. Eiser stelt dat hij homoseksueel is. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij dit al weet vanaf zijn twaalfde. Eiser hield dit verborgen voor zijn vrouw en kinderen. Hij heeft een verklaring bijgevoegd van een van zijn seksuele partners. Gelet op landeninformatie en het landenbeleid, maken eisers seksuele geaardheid en zijn eerdere ervaringen in Syrië dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit geldt te meer nu hij aids heeft. Eiser wijst op het AAB Syrië van 2026. (Voetnoot 1) Eiser is verlegen en heeft veel moeite om open te zijn over zijn geaardheid, daarom is dit asielmotief niet eerder ingebracht.
6.1.
Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het betrekken van het nieuwe asielmotief bij de beoordeling van het beroep, sprake is van een ontoelaatbare vertraging. Verweerder wijst er in dit verband op dat eiser in januari 2024 een asielaanvraag heeft ingediend, dat hij in februari 2026 is gehoord en dat het bestreden besluit van februari 2026 dateert. Hij heeft voldoende tijd gehad om dit asielmotief naar voren te brengen. Daarbij komt dat eiser opnieuw gehoord zal moeten worden en er een nieuwe beoordeling zal moeten plaatsvinden. Een dergelijk onderzoek zal veel tijd in beslag nemen, in ieder geval twaalf tot zestien weken.
6.2.
Op grond van artikel 83, eerste lid en derde lid, van de Vw dient de rechtbank rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, voor zover dat geen strijd oplevert met de goede procesorde en voor zover de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Uit een arrest (Voetnoot 2) van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt daarbij dat enkel een verplichting bestaat om een in beroep ingebracht asielmotief te betrekken, indien het naar nationale procedureregels tijdig is ingediend en voldoende concreet is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in navolging van dit arrest benadrukt dat een asielmotief enkel betrokken hoeft te worden als dat naar behoren in beroep onderzocht kan worden. (Voetnoot 3) Relevante factoren voor die beoordeling zijn of er voldoende feitelijke gegevens beschikbaar zijn over het asielmotief, wat de reden is dat het asielmotief pas in beroep naar voren wordt gebracht, of de zaak in de algemene of verlengde procedure is afgedaan, welke onderzoekslasten ermee gemoeid zijn voor verweerder en of het asielmotief voldoende onderscheidend is van het reeds beoordeelde asielmotief.
6.3.
De rechtbank is, met inachtneming van het hiervoor geschetste toetsingskader, van oordeel dat het in deze procedure beoordelen van het door eiser in beroep ingebrachte asielmotief niet mogelijk is zonder dat dit een ontoelaatbare vertraging voor de afdoening van de zaak tot gevolg heeft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het asielmotief weliswaar concreet is, maar dat een geloofwaardigheidsbeoordeling daarvan niet mogelijk is zonder een aanvullend gehoor te houden met eiser. In dat gehoor zal eiser dit asielmotief nader moeten onderbouwen. Een dergelijk onderzoek moet zorgvuldig plaatsvinden en neemt de nodige tijd in beslag, zodat van verweerder niet zonder meer kan worden gevergd dit binnen de algemene asielprocedure te beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het gaat om een achtergehouden asielmotief. De verklaring van eiser dat hij dit heeft achterhouden omdat hij verlegen is en zich ervoor schaamt, maakt – wat hier verder ook van zij – niet dat dit procedureel niet meer voor zijn rekening en risico komt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om dit asielmotief naar voren te brengen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden en verweerder op te dragen binnen het bestek van deze beroepsprocedure een gehoor met eiser te houden over dit nieuwe asielmotief. Het verzoek om een bestuurlijke lus wordt dan ook afgewezen. Ook eisers stelling dat verweerder, bij een gegrondverklaring van dit beroep, hoger beroep zal instellen en een uitspraak van de Afdeling mogelijk lang op zich laat wachten, maakt het voorgaande niet anders omdat dit omstandigheden zijn waarop de rechtbank in deze procedure niet vooruit kan lopen. 6.4. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het nieuwe asielmotief niet bij de beoordeling betrekken. De rechtbank zal hierna het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt beoordelen.
Beroep op artikel 15, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn
(Voetnoot 4)
7. Eiser voert ook aan dat hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw moet worden verleend. Hij verwijst naar het besluit van 18 februari 2026 waarin aan eiser uitstel van vertrek is verleend en dat daarmee sprake is van een schending op grond van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 5) op grond van de ziekte van eiser en het ontbreken van een medische behandeling in Syrië. Eiser doet wegens het verband tussen het vastgestelde 3 EVRM-risico en de handelingen van gewapende groepen in de burgeroorlog een beroep op artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. In het arrest M'Bodj (Voetnoot 6) overwoog het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) dat ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst leidt tot een beschermingsstatus wanneer die schade wordt veroorzaakt door het handelen van een actor van vervolging. Eiser stelt dat dit bij hem het geval is, nu door aanhoudende gevechten in Syrië een gebrek aan medische zorg en voorzieningen is ontstaan. Eiser stelt dat het niet gaat om algemene tekortkomingen in het gezondheidsstelsel in Syrië, maar om tekortkomingen die het gevolg zijn van acties van gewapende groepen, regeringstroepen en andere strijdende partijen gedurende de burgeroorlog in Syrië. Volgens eiser is er sprake van doorwerking van de burgeroorlog, waarbij de medische infrastructuur opzettelijk is vernietigd en waardoor geen medische zorg voor eiser beschikbaar is en hij een 3 EVRM-risico loopt bij terugkeer. Eiser verwijst hiervoor naar het algemeen ambtsbericht Syrië van 2026, waaruit onder meer volgt dat 40% van de gezondheidsinfrastructuur is verwoest tijdens de burgeroorlog en tussen de 50 tot 70% van de zorgmedewerkers het land heeft verlaten. (Voetnoot 7) Eiser stelt dat hij dan ook valt onder het bereik van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn omdat hij hierdoor geen noodzakelijke medische behandeling kan krijgen en daardoor een reëel risico loopt op ernstige schade.
7.1.
Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de medische situatie van eiser is betrokken bij de beoordeling van het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Aan eiser is in dat kader uitstel van vertrek verleend. Het bestreden besluit dateert van eerdere datum dan het besluit over het uitstel van vertrek. In het bestreden besluit is volgens verweerder op goede gronden aangenomen dat er geen aanleiding bestaat om eiser een verblijfsvergunning asiel of regulier te verlenen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de door eiser aangevoerde omstandigheden in beroep. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat niet in geschil is dat eiser aids heeft en hiervoor een medische behandeling krijgt in Nederland. Eiser heeft dit reeds in het nader gehoor en ook in de zienswijze aangevoerd. Eerst in beroep heeft eiser een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank is ex-nunc toetsend van oordeel dat verweerder hierop gemotiveerd moet ingaan. Het Hof heeft in het arrest M’Bodj overwogen dat het enkel ontbreken van een medische behandeling in het land van herkomst geen recht geeft op subsidiaire bescherming, tenzij het ontbreken van de die behandeling het gevolg is van gedragingen van derden, onder verwijzing naar artikel 6 van de Kwalificatierichtlijn. De omstandigheid dat een derdelander, die aan een ernstige ziekte lijdt, mogelijk risico loopt op verslechtering van zijn gezondheidstoestand, omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, maar hem niet opzettelijk medische zorg wordt geweigerd, volstaat ook niet om hem subsidiaire bescherming te verlenen. (Voetnoot 8) De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de landeninformatie waar eiser in beroep naar heeft verwezen, niet op voorhand kan worden uitgesloten dat in Syrië de mogelijkheden voor de medische behandeling van eiser worden beperkt als gevolg van (in)direct menselijk handelen en/of nalaten in of door een gewapende strijd. Verweerder kan daarom niet – zonder nadere motivering – worden gevolgd in het standpunt dat eisers medische problemen buiten het bestek van de asielprocedure vallen en dient in een nieuw te nemen besluit hierover een gemotiveerd standpunt in te nemen. De beroepsgrond slaagt.
Beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
8. Op 11 december 2025 (Voetnoot 9) heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats, waaronder die van 4 februari 2026. (Voetnoot 10)
8.1.
Eiser heeft aangegeven dat deze uitspraak van 11 december 2025 op hem van toepassing is en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (Voetnoot 11), ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet heeft meegenomen. Eiser heeft verder gewezen op recente geweldsuitbarstingen en op de slechte situatie in Aleppo. Eiser heeft verder opgemerkt dat in de beslisnota (Voetnoot 12) bij het nieuwe landenbeleid wordt geconcludeerd dat de veranderende omstandigheden in Syrië niet een niet-voorbijgaand karakter hebben. Daarnaast geeft verweerder in die beslisnota ook aan dat nog onduidelijk is wat de gevolgen zullen zijn van het akkoord met de Koerden van januari 2026.
8.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat verweerder op juiste gronden tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder stelt zich ten aanzien van de humanitaire situatie in Syrië op het standpunt dat deze niet of nauwelijks te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat ook in de regio Aleppo, waar eiser vandaan komt, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Daarbij verwijst hij naar de brief van de Tweede Kamer van 10 juni 2025 (Voetnoot 13) en de bijbehorende beslisnota (Voetnoot 14) waarin dit nader is toegelicht. Ook verwijst verweerder naar het algemeen ambtsbericht van 30 januari 2026. Uit dat ambtsbericht blijkt dat het aantal veiligheids- en geweldsincidenten en burgerslachtoffers in Aleppo is gedaald. Het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten is nauwelijks toegenomen en er worden maatregelen genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Ook keert een hoog aantal Syriërs terug naar hun gebied van herkomst, met name ook naar Aleppo. Verder verwijst verweerder naar informatie van de UNHCR (Voetnoot 15) over vrijwillige terugkeer van ontheemden naar Syrië vanuit buurlanden. Een groot deel daarvan keert terug naar Aleppo.
8.3.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat uit de uitspraak van 11 december 2025 niet volgt dat die uitspraak alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in die uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in heel Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. (Voetnoot 16) De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.
8.4.
In die uitspraak is ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen (Voetnoot 17) zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict.
8.5.
De toelichting van verweerder in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen over de veiligheidssituatie in Syrië en Aleppo, leiden in dit geval niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers. (Voetnoot 18) Eiser heeft er daarbij op gewezen dat uit dit ambtsbericht blijkt dat in Aleppo in de periode tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 het op één na hoogste aantal geweldsincidenten werd geregistreerd en dat er, vergeleken met andere provincies, veel incidenten plaatsvonden met ontplofbare oorlogsresten. (Voetnoot 19)Ook in het bericht van UNHCR van 11 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien gelet op de slechte humanitaire omstandigheden en omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – ondanks de aanvullende motivering ten opzichte van het besluit waarop de uitspraak van 11 december 2025 betrekking had – sprake is van een motiveringsgebrek.
8.6.
Nu verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd. De beroepsgrond slaagt.
9. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen in het kader van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank ziet daarin dus geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden en de geloofwaardigheidsbeoordeling komt de rechtbank dan ook niet meer toe.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.