Het procesverloop en de totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiser heeft op 16 januari 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend.
2. Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, (Voetnoot 1) omdat verweerder van mening is dat eiser bij zijn aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant zijn voor de beoordeling van de opvolgende aanvraag.
3. Eiser heeft bij de onderhavige aanvraag de volgende nieuwe feiten overgelegd:
- een brief van een advocaat in Turkije genaamd [naam] daterend van 18 mei 2023, tot onderzoek naar het opsporingsdossier, en;
- een beslissing van het kabinet van de rechter-commissaris van de rechtbank Patnos, daterend van 5 juli 2022, waaruit blijkt dat het verzoek van eisers advocaat tot onderzoek inzake het lidmaatschaap aan een gewapende terroristische organisatie, PKK, aan het Parket van de Hoofdofficier van Justitie te Agri, is afgewezen.
3.1.
Deze stukken stelt eiser in juni 2023 te hebben verkregen via zijn Turkse advocaat. De stukken zijn afkomstig uit het Turkse UYAP-portaal. Uit de documenten blijkt volgens eiser dat er een opsporingsonderzoek loopt tegen hem op grond van de beschuldiging van lidmaatschap aan een gewapende terroristische organisatie (PKK). De autoriteiten zetten antiterreurwetten in tegen onder meer PKK-sympathisanten.
4. Verweerder heeft beide documenten door Bureau Documenten (BD) laten onderzoeken. Uit de conclusie van BD blijkt dat de beslissing van 5 juli 2022 met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, omdat het document een digitale print-out betreft en de opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Over de brief van 18 mei 2023 concludeert BD dat er, gelet op het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal, er over de echtheid van het document geen uitspraak kan worden gedaan.
4.1.
Eiser dient onmiddellijk Nederland te verlaten. Aan hem is op 18 augustus 2021 al een terugkeerbesluit opgelegd en deze is nog steeds van kracht. Aan eiser is tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
5. Op 17 oktober 2025 heeft de rechtbank de zaak, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening daarbij (Voetnoot 2), behandeld op de zitting. Daarbij waren eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
6. Na de behandeling op zitting heeft de rechtbank het beroep aangehouden om verweerder de gelegenheid te geven BD te laten reageren op alles wat eiser in de gronden van beroep en ter zitting heeft ingebracht tegen de verklaringen van BD. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 oktober 2025 toegewezen.
6.1.
Nadat de reactie van BD, daterend van 15 december 2025, op 11 februari 2026 door verweerder aan eiser en de rechtbank kenbaar is gemaakt heeft eiser daar op 25 februari 2026 op gereageerd. Bij deze reactie heeft eiser onder meer het verzoek aan de rechtbank gedaan om verweerder op te dragen de onderliggende stukken van het onderzoek van BD over te leggen en de procedure gelegen in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op die stukken toe te passen.
6.2.
Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank verweerder verzocht een standpunt in te nemen over eisers verzoek tot toepassing van de procedure gelegen in artikel 8:29 van de Awb. Ook heeft de rechtbank verweerder verzocht om een standpunt in te nemen op het inmiddels gewezen arrest ‘Multan’ van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 29 januari 2026 (Voetnoot 3), en wat dat arrest in deze zaak betekent.
6.3.
Verweerder heeft in zijn reactie op dit verzoek een beroep op de bescherming van de onderzoeksmethoden en technieken van BD gedaan. Verweerder heeft daarbij gewezen op de uitzonderingsgrond op de hoofdregel dat de gemachtigde van een vreemdeling toegang heeft tot informatie in het dossier op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen, gelegen in artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn (Voetnoot 4). Volgens verweerder is dat in deze zaak de grond dat door openbaarmaking van bepaalde informatie of bronnen het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van asielverzoeken in andere zaken zou worden geschaad. Op grond van de procedure gelegen in artikel 8:29 van de Awb heeft verweerder de stukken die door BD zijn betrokken naar de rechtbank voor inzage toegezonden, maar op grond van de zojuist genoemde uitzonderingsgrond betekent dat dat eiser en zijn gemachtigde van verweerder geen kennis van die stukken mag nemen.
6.4.
Eiser heeft hierop gereageerd. Hij voert aan dat verweerder onvoldoende zaakspecifiek heeft gemotiveerd waarom de uitzonderingsgrond van toepassing is, omdat niet wordt toegelicht waarom de abstracte risico’s (Voetnoot 5) waarop verweerder zich beroept zich in deze zaak voordoen. In het kader van de procedure gelegen in artikel 8:29 van de Awb voert eiser voorts aan dat deze procedure in strijd is met het Unierecht, omdat de volledige toegang voor de rechtbank tot het dossier onvoorwaardelijk moet zijn en niet afhankelijk van de toestemming van partijen. Ook voert eiser aan dat uit het arrest Multan volgt dat wanneer bepaalde informatie vanwege een uitzonderingsgrond niet volledig aan een vreemdeling kan worden verstrekt, verweerder dient te voorzien in een alternatieve procedure die de rechten van de verdediging waarborgt. Daarbij wijst eiser erop dat het Hof als voorbeeld noemt de mogelijkheid van toegang tot de stukken door een andere raadsman, één die aan een veiligheidscontrole is onderworpen.
7. Na deze laatste reactie van eiser heeft de rechtbank partijen verzocht om te laten weten of zij een nadere zitting nodig achtten alvorens het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen (Voetnoot 6). Partijen hebben aangegeven een nadere zitting niet nodig te vinden. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek op 6 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Waarover gaat deze uitspraak?
8. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren door verweerder van zijn opvolgende asielaanvraag. Zij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
9. In haar beoordeling op dit beroep betrekt de rechtbank het volgende.
9.1.
In artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn staat de volgende tekst:
‘’1. Lidstaten zorgen ervoor dat een juridisch adviseur of andere raadsman die als zodanig is toegelaten of toegestaan is onder nationale wetgeving, en die een aanvrager bijstaat of vertegenwoordigt volgens de bepalingen van nationale wetgeving, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de aanvrager op basis waarvan een beslissing wordt genomen of zal worden genomen.
Lidstaten kunnen een uitzondering maken wanneer het openbaar maken van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie verstrekken of de veiligheid van de persoon of de personen op wie de informatie betrekking heeft in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het van het onderzoek in verband ,et de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden kunnen worden geschaad . In dergelijke moeten de lidstaten:
(a)
toegang tot dergelijke informatie of bronnen beschikbaar stellen aan de autoriteiten die in hoofdstuk V worden genoemd; en
(b)
in het nationale recht procedures vaststellen die waarborgen dat het recht van verweer van de verzoeker geëerbiedigd wordt.
In verband met punt (b) kunnen lidstaten met name toegang verlenen tot die informatie of bronnen aan juridisch adviseurs of andere raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een besluit tot intrekking van internationale bescherming.’’
9.2.
Uit het eerste lid van artikel 23 van de Procedurerichtlijn volgt dat in beginsel een juridisch adviseur of andere raadsman, die een aanvrager bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de aanvrager op basis waarvan een beslissing wordt genomen of zal worden genomen. De rechtbank overweegt dat het recht op verdediging een fundamenteel karakter heeft wat een wettelijke basis vereist om dit recht te verankeren en te waarborgen. Een wettelijke basis die uitvoering geeft aan artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn ontbreekt vooralsnog. De rechtbank overweegt dat eiser evenwel terecht in deze procedure heeft aangevoerd dat de rechtbank moet waarborgen dat het Unierecht zijn volle werking geniet.
9.3.
Hoewel verweerder de stukken die BD heeft gebruikt bij het doen van hun onderzoek naar de documenten die eiser heeft overgelegd naar de rechtbank heeft gestuurd om op die manier toepassing te geven aan de procedure zoals gelegen in artikel 8:29 van de Awb, heeft de rechtbank van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Toepassing van deze procedure maakt immers dat, indien de ‘8:29 Awb-rechter’ heeft beslist dat de weigering of beperkte kennisname van de stukken die BD heeft betrokken gerechtvaardigd is, dit betekent dat de vreemdeling niet in eigen persoon of middels zijn gemachtigde kennis kan nemen van de stukken waar de beslissing betrekking op heeft (Voetnoot 7). Daar komt bij dat de 8:29 Awb-procedure ziet op de beroepsfase, terwijl artikel 23 van de Procedurerichtlijn vereist dat al in de besluitvormingsfase inzage in de stukken, die van belang zijn bij het nemen van een besluit, moet worden verleend.
9.4.
Zoals onder 9.2 uiteengezet volgt echter uit de Procedurerichtlijn dat voorafgaand aan het te nemen besluit, immers: ‘(…) een beslissing wordt, of zal worden genomen’ toegang tot de informatie in het dossier van de aanvrager vereist is. Dat betekent dat er een waarborg moet zijn dat eiser, en diens raadsman, in de besluitvormingsfase de mogelijkheid moet krijgen om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er op dit moment in het Nederlandse vreemdelingenrecht geen toereikende procedure waarin dit wordt gewaarborgd. De procedure die met toepassing van artikel 8:29 van de Awb gevolgd kan worden biedt die toereikende waarborg ook niet, zoals in rechtsoverweging 9.3 is uitgelegd. Zoals in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 12 maart 2026 in rechtsoverweging 24 is opgemerkt is in artikel 18 van de Verordening 2024/1348 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie wel in een doeltreffende procedure voorzien. Echter, die Verordening is nog niet van kracht. Nu verweerder eiser voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit niet in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van de informatie die ten grondslag ligt aan het resultaat van het onderzoek van BD naar de door eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegde stukken, heeft eiser al in de besluitvormingsfase onvoldoende zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Een zorgvuldige voorbereiding vergt immers, zo volgt uit het Unierecht, dat een vreemdeling inzage krijgt in de stukken die betrokken worden bij de beslissing op zijn aanvraag, en de totstandkoming daarvan.
10. Omdat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, heeft verweerder het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb geschonden. Al daarom is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hier twaalf weken voor.
13. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Verweerder dient deze vergoeding te betalen. Het bedrag daarvan is op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht beslaat € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, heeft deelgenomen aan de zitting en na de heropening tweemaal schriftelijk op verweerder heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift en het deelnemen aan de zitting, en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reacties na heropening).
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.