Vreemdelingenrecht
Vovo hangende bezwaar inzake Chinese Koks. Verweerder verzet zich niet tegen de toewijzing van het verzoek.
Rechtbank Den Haag, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:15767 · Rechtbank Den Haag · 10 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-15767
Zaakgegevens
Op 10 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.28504
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15767
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo hangende bezwaar inzake Chinese Koks. Verweerder verzet zich niet tegen de toewijzing van het verzoek.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28504
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft op 21 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verlenging van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 5 november 2025 afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de rechtbank verzoekt verweerder te gebieden dat verzoeker gedurende de bezwaarperiode mag werken bij referent.
Bij brief van 4 juni 2026 heeft verweerder aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening.
Nadat verweerder heeft aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de verzochte voorziening, heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de rechtbank de zaak af kan doen op de stukken. Verweerder heeft hier ook toestemming voor gegeven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.