Vreemdelingenrecht

Eerste beroep bewaring – alleen zware grond 3e betwist – [naam] arrest – lichter middel – beroep tegen het…

Rechtbank Den Haag, 12 juni 2026

Zaakgegevens

Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
12 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30273 en NL26.30970
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15899
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – alleen zware grond 3e betwist – [naam] arrest – lichter middel – beroep tegen het overdrachtsbesluit – Duitsland – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.30273 en NL26.30970

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.

Daarnaast heeft verweerder op 3 juni 2026 een overdrachtsbesluit genomen op grond van artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening.

Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld (NL26.30273). Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit (NL26.30970).

De rechtbank heeft de beroepen op 10 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2008 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

3. Eiser betwist de zware grond 3e, omdat hij niet opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt. Eiser heeft slechts eenmaal een onjuiste naam opgegeven en deze vervolgens gecorrigeerd. De overige verschillen zijn het gevolg van afwijkende spellingen van zijn naam in Latijns schrift en van geringe verschillen in geboortedata. Verweerder heeft bovendien onvoldoende rekening gehouden met zijn verwarde toestand en mogelijke ontwenningsverschijnselen ten tijde van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn medische omstandigheden, verslavingsproblematiek en suïcidale uitingen. Verder heeft verweerder onvoldoende onderzocht of eiser bij terugkeer naar Duitsland gevaar loopt. Onder verwijzing naar het arrest [arrest] en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 21 mei 2026 stelt eiser dat verweerder ook in het kader van een overdracht aan een andere lidstaat moet toetsen of sprake is van een risico op schending van het non-refoulementbeginsel.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een significant risico op onderduiken aan te nemen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de zware grond 3e behoeft daarom geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

5. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan. Gelet op de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden is een significant risico op onttrekking gegeven. Daarbij is verweerder ook ingegaan op de door eiser aangedragen medische omstandigheden, verslavingsproblematiek en suïcidale uitingen. Verweerder heeft erop gewezen dat in het detentiecentrum medische faciliteiten aanwezig zijn. Eiser heeft niet onderbouwd dat deze zorg voor hem ontoereikend is.

6. Uit het Unierecht volgt, zoals het Hof in het arrest [arrest] heeft verduidelijkt, dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van een terugkeerbesluit. Eiser is in bewaring gesteld ten behoeve van een overdracht in het kader van de Dublinverordening. Van een terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn is geen sprake. Verweerder was daarom bij het opleggen van de maatregel niet gehouden om te beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de overdracht aan Duitsland verzet.

7. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

8. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven te volstaan met de reeds aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het overdrachtsbesluit onrechtmatig is.

9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) nr. 604/2013. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 september 2025 in de zaak [arrest] , GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647. Richtlijn 2008/115/EG.