Vreemdelingenrecht

Beroep gegrond. Bewaring op de onjuiste grondslag opgelegd. Uiting ten onrechte niet aangemerkt als asielwens.

Rechtbank Den Haag, 12 juni 2026

Zaakgegevens

Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30144
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15916
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep gegrond. Bewaring op de onjuiste grondslag opgelegd. Uiting ten onrechte niet aangemerkt als asielwens.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30144


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. O. Sari).

Inleiding

1.1.

De minister heeft op 29 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

1.2.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en de waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. F. Boone, zijn op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Daar is ook een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser voert primair aan dat de toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw onjuist is. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling een asielwens geuit, zodat eiser op de verkeerde grond in bewaring is gesteld.

2.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat de grondslag van de maatregel juist is. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij bij terugkeer vreest om vermoord te worden, maar eiser heeft ook aangegeven dat hij vrijwillig wil terugkeren, hetgeen niet strookt met de door hem gestelde vrees. Daarbij heeft eiser meerdere asielaanvragen ingediend, heeft hij eerder niets verklaard over deze door hem gestelde vrees en blijkt dat eiser in het verleden eveneens een asielaanvraag heeft ingediend en deze weer heeft ingetrokken, omdat hij vrijwillig wilde terugkeren naar Algerije. De minister heeft eisers verklaring, onder de gegeven omstandigheden, dan ook niet hoeven aanmerken als de uiting van een asielwens.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor bij bewaring volgt dat eiser heeft verklaard dat hij waarschijnlijk wordt vermoord in Algerije. Hij heeft verder verklaard dat hij in contact is gekomen met mensen die op het verkeerde pad zaten, hij
€ 25.000,- van hen heeft weggenomen en vervolgens voor hen moest werken. Tijdens het gehoor is opgemerkt dat eiser niet eerder heeft verklaard dat hij bang is om vermoord te worden en is eiser gevraagd wat hiervan de reden is. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij dit niet heeft gedaan omdat hij bang was om het te vertellen. Aan eiser is vervolgens niet gevraagd of hij asiel wilde aanvragen.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring op de verkeerde grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser heeft immers uitdrukkelijk verklaard dat hij bij terugkeer vreest vermoord te worden, zodat dit niet anders kan worden opgevat dan een verzoek om internationale bescherming. Aan eiser is dan ook ten onrechte niet gevraagd of hij een asielaanvraag wilde indienen. De rechtbank volgt de minister verder niet in het standpunt dat uit de gegeven omstandigheden kon worden afgeleid dat eiser geen asielwens heeft geuit. Dat eiser de namen van de betreffende personen voor wie hij vreest niet zou hebben genoemd, speelt immers geen rol bij de vraag of er sprake is van een asielwens. Verder volgt uit eisers verklaring, dat hij vrijwillig zou willen terugkeren, evenmin eenduidig dat hij geen asielwens heeft geuit. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser tijdens het gehoor meerdere malen heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije en dat hij niet wil meewerken aan terugkeer. Eiser heeft vervolgens verklaard dat hij, wanneer hij weer in detentie zit, zelfstandig wil vertrekken maar dat hij niet onder dwang wil terugkeren naar Algerije. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser heeft verklaard dat hij liever vrijwillig terugkeert dan gedwongen en kan uit deze verklaring niet zonder meer opmaken dat hij hiermee heeft aangegeven geen vrees bij terugkeer te hebben. Indien hierover onduidelijkheden waren, had dit aanleiding moeten zijn voor de minister om nadere vragen te stellen hierover. De rechtbank ziet in het feit dat eiser in het verleden meerdere asielaanvragen heeft ingediend, niet eerder over deze vrees heeft verklaard en een eerdere asielaanvraag heeft ingetrokken, geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.3.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring op een onjuiste grondslag is opgelegd. Hieruit volgt dat de bewaringsmaatregel van aanvang af, te weten vanaf 29 mei 2026 onrechtmatig is geweest. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 12 juni 2026. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren. Nu deze beroepsgrond slaagt, ziet de rechtbank geen aanleiding meer voor de bespreking van de overige beroepsgronden.

Schadevergoeding en proceskosten

3. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen omdat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt € 1840,- (1 dag verblijf politiecel x € 160,- en 14 dagen in een detentiecentrum x € 120,-)

4. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Conclusie

5. Het beroep is gegrond. De maatregel moet met ingang van vandaag, 12 juni 2026, worden opgeheven. Eiser krijgt een schadevergoeding en de minister moet de proceskosten van eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 juni 2026;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1840,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000.