Vreemdelingenrecht
Einduitspraak na tussenuitspraak. Gezinshereniging Nederlandse referent met vluchtelingenachtergrond met…
Rechtbank Den Haag, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:16020 · Rechtbank Den Haag · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-16020
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 14 juni 2026
- Zaaknummer
- NL24.41207
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16020
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Einduitspraak na tussenuitspraak. Gezinshereniging Nederlandse referent met vluchtelingenachtergrond met echtgenote en (minderjarige) kinderen uit Eritrea. Afwijzing vanwege niet voldaan aan het middelenvereiste. De rechtbank is van oordeel dat de minister nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van eisers en referent niet opweegt tegen het economisch belang van de Nederlandse overheid. Het besluit van de minister dreigt onder de huidige omstandigheden te leiden tot een permanente scheiding van de gezinsleden. Beroep gegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.41207
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1],
geboren op [geboortedag 1] 1975, eiseres
mede namens haar kinderen:
[eiser 1],
geboren op [geboortedag 2] 2005, eiser
[eiser 2],
geboren op [geboortedag 3] 2007, eiser
[eiseres 2],
geboren op [geboortedag 4] 2009, eiseres
allen van Eritrese nationaliteit,
hierna samen: eisers,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. S. Beyik-Koçer).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’ (referent).
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 31 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag van eisers voor een mvv afgewezen.
In het besluit van 24 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, zijn zoon [naam], S.A. Mohammed als tolk in de taal Tigrinya, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
In de tussenuitspraak van 11 maart 2026 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak was overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eisers hebben hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister niet heeft onderkend dat de Gezinsherenigingsrichtlijn, het Handvest en artikel 8 van het EVRM op de aanvraag van toepassing zijn. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister, bij het tegenwerpen van het middelenvereiste, de vluchtelingenachtergrond van referent onvoldoende kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft ten onrechte geen invulling gegeven aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en ten onrechte geen belangenafweging gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen, de aard en hechtheid van de gezinsbanden, de banden met het land van herkomst en de duur van verblijf in de lidstaat. De minister heeft in het bestreden besluit weliswaar erkend dat referent zijn gezinsleven in Eritrea niet kan uitoefenen, maar heeft daarbij niet toegelicht welk gewicht hieraan toekomt in de belangenafweging. De minister heeft ook ten onrechte niet in de beoordeling betrokken dat het voor referent vanwege zijn vluchtelingenachtergrond moeilijker kan zijn om over voldoende inkomsten te beschikken dan voor andere derdelanders. Tot slot heeft de minister in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met de voorgeschiedenis van referent: zijn asielstatus, de behandelduur van de eerdere mvv-aanvragen en de redenen waarom de minister die aanvragen niet heeft gehonoreerd. De minister heeft het bestreden besluit daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
4. In de aanvullende motivering handhaaft de minister het standpunt dat met het tegenwerpen van het middelenvereiste geen onevenredige inbreuk op het gezinsleven tussen eisers en referent wordt gemaakt. Hoewel begrip bestaat voor de persoonlijke situatie van referent, waarin het vanwege zijn achtergrond en omstandigheden moeilijk voor hem is om de Nederlandse taal te leren, weegt dit niet op tegen het economisch belang van de Nederlandse overheid. Het blijkt immers niet onmogelijk voor referent om de Nederlandse taal zodanig onder de knie te krijgen dat referent in de toekomst aan het inkomensvereiste kan gaan voldoen. Van referent mag worden verwacht dat hij zich blijft inspannen om aan het inkomensvereiste te voldoen. De minister verwijst daarbij naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 18 januari 2024 waarin volgens de minister wordt overwogen dat lidstaten een ruime beoordelingsvrijheid hebben bij het reguleren van gezinshereniging door inkomenseisen. Volgens het Hof betekent weigering van verblijf geen definitief verbod op gezinshereniging. Zolang referent de mogelijkheid heeft om in de toekomst wel aan de inkomenseis te voldoen, wordt de beoordelingsvrijheid bij afwijzing van de aanvraag niet overschreden.
Verder stelt de minister dat het weliswaar in het belang van de kinderen is om met referent herenigd te worden en dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn, maar dat dit niet automatisch leidt tot een recht op gezinshereniging als niet aan de nationale voorwaarden is voldaan. Van belang is volgens de minister dat de minderjarige kinderen zich momenteel in Eritrea bevinden, in hun vertrouwde omgeving, samen met hun moeder. De meerderjarige zoon van referent is in Ethiopië bij familie. Niet is gebleken van een acute medische, dan wel humanitaire noodsituatie die maakt dat hereniging met referent onmiddellijk noodzakelijk is. De gezinsband wordt momenteel op afstand onderhouden. Dit wordt niet onredelijk geacht, zolang referent nog niet aan het inkomensvereiste voldoet. De echtgenote en kinderen van referent zijn geboren en getogen in Eritrea. Zij zijn geworteld in dit land, zijn bekend met de cultuur en zij spreken de taal. Zij hebben geen aantoonbare binding met Nederland, behalve hun binding met referent. Hoewel aangenomen wordt dat er in dit geval een objectieve belemmering is om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen, hetgeen in het voordeel van referent weegt, weegt dit niet op tegen het economisch belang van de Nederlandse overheid.
5. Eisers voeren in de zienswijze aan dat zij zich niet kunnen verenigen met het standpunt van de minister. Zij vinden dat de minister nog steeds geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt.
6. De rechtbank volgt eisers. De rechtbank is van oordeel dat de minister nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van eisers en referent niet opweegt tegen het economisch belang van de Nederlandse overheid. Gelet op de asielstatus van referent, kunnen eisers hun gezinsleven met referent niet uitoefenen in Eritrea. De minister stelt dat dit in hun voordeel weegt, maar motiveert onvoldoende waarom het economisch belang van de Nederlandse overheid volgens de minister dan toch zwaarder weegt. De minister betrekt de volgende omstandigheden onvoldoende in de belangenafweging. Eisers en referent zijn al elf jaar gescheiden van elkaar. Vanaf 2016 heeft referent diverse pogingen gedaan om zijn gezin te herenigen in Nederland. De nareisaanvraag is afgewezen vanwege overschrijding van de driemaandentermijn. Twee van zijn drie kinderen zijn inmiddels volwassen. Bij de onderhavige aanvraag waren ze dat nog niet. De jongste wordt in juli 2027 volwassen. Als referent pas met succes een aanvraag kan indienen als hij aan het inkomensvereiste kan voldoen, dan zal hereniging vanwege de volwassen leeftijd van de kinderen nog moeilijker worden. Voor hereniging tussen ouders en hun volwassen kinderen zijn de regels immers strenger. Bovendien is het onzeker of referent in de toekomst werk zal kunnen vinden. Tot nu toe is hem dat, ondanks zijn onderbouwde inspanningen om de taal te leren, al jaren niet gelukt. Het besluit van de minister dreigt onder de huidige omstandigheden te leiden tot een permanente scheiding van de gezinsleden. Gelet op deze omstandigheden, ziet de rechtbank niet zonder nadere motivering in waarom het economisch belang van de Nederlandse overheid volgens de minister zwaarder weegt dan het belang van eisers en referent om hun gezinsleven in Nederland uit te oefenen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan de minister is om een nieuwe belangenafweging te maken en daarbij alle relevante omstandigheden te betrekken. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eisers het door hen betaalde griffierecht (€ 187,-) vergoedt.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.