Vreemdelingenrecht

Uitspraak 8:54, Geen beroepsgronden ingediend en verzuim niet hersteld. Beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag, 27 maart 2026

Zaakgegevens

Op 27 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 maart 2026
Datum publicatie
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/1637
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16129
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitspraak 8:54, Geen beroepsgronden ingediend en verzuim niet hersteld. Beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/1637


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.T. Eisenmann),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Met het besluit van 24 juni 2024 heeft de minister de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 10 januari 2025 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen gronden heeft aangevoerd.

1.1.

In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister van 10 januari 2025.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen beroepsgronden zijn genoemd. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.

4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat eiseres de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet (tijdig) heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

5. Eiseres heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiseres in haar bericht van 28 januari 2025 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Eiseres heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Op 28 februari 2025 en op 3 april 2035 heeft de rechtbank eiseres nogmaals verzocht om binnen vier werken de gronden in te dienen. De brief van 3 april 2025 heeft de rechtbank aangetekend verzonden. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.

6. Eiseres heeft de beroepsgronden dus niet (tijdig) vermeld. Eiseres heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb). Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.