Vreemdelingenrecht

Artikel 59a, eerste lid, van de Vw; lichter middel; ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 16 juni 2026

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30272
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16234
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 59a, eerste lid, van de Vw; lichter middel; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30272


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwopgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en van Palestijnse afkomst te zijn.

Maatregel van bewaring

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:


- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.

Voortvarend handelen

4. Eiser stelt dat hij het verslag van het door verweerder genoemde vertrekgesprek van 4 juni 2026 niet in het dossier kan vinden. Ook zit in het dossier geen verlenging van een eerder overdrachtsbesluit. Volgens eiser is het hierdoor niet eenvoudig om zijn situatie te beoordelen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder stelt dat op 4 juni 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. De rechtbank constateert dat het verslag van het vertrekgesprek niet in het dossier aanwezig is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit besluit naar verwachting op korte termijn zal volgen. Daarnaast heeft verweerder het eerdere overdrachtsbesluit verlengd, een voornemen uitgebracht en is een nieuw overdrachtsbesluit in voorbereiding. Gelet op deze verrichte handelingen is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Lichter middel

6. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De motivering op dit punt is onvoldoende geïndividualiseerd en er is onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser wijst daarbij op zijn medische klachten, waaronder diabetes en hoge bloeddruk, waarvoor hij medicatie gebruikt. Sinds zijn plaatsing in detentie heeft hij onvoldoende medische zorg ontvangen en zijn zijn chronische aandoeningen niet adequaat gemonitord. De medische zorg in het detentiecentrum kan daarom niet worden gelijkgesteld met de zorg die hij buiten detentie zou ontvangen. Gelet op zijn medische situatie had verweerder moeten volstaan met een minder dwingende maatregel.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser niet is verschenen voor zijn vertrekgesprek met de DT&V op 9 april 2026. Daarnaast volgt uit het dossier dat eiser op 13 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet detentieongeschikt is en dat in het detentiecentrum adequate medische zorg aanwezig is waar eiser een beroep op kan doen. Voor zover eiser meent dat de (toegang tot de) zorg in het detentiecentrum onvoldoende is, kan hij hierover klagen bij het detentiecentrum.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.