Vreemdelingenrecht
Minister verzet zich niet tegen toewijzing. Vovo toegewezen, mag behandeling beroep in NL afwachten. Voor…
Rechtbank Den Haag, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:16265 · Rechtbank Den Haag · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-16265
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.30941
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16265
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Minister verzet zich niet tegen toewijzing. Vovo toegewezen, mag behandeling beroep in NL afwachten. Voor behoud opvang moet verzoeker zich tot COa richten
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30941
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister ambtshalve geweigerd aan verzoeker uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel
64 Vw.
Op 8 november 2025 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 3 juni 2026 heeft verzoeker (opnieuw) de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten einde te bewerkstelligen dat verzoeker de behandeling van het beroep in de opvang mag afwachten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De minister heeft desgevraagd bij bericht van 3 juni 2026 aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening voor zover daarin gevraagd wordt uitzetting achterwege te laten.
5. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het primaire besluit wordt geschorst tot inhoudelijk op het beroep is beslist.
Voor zover verzoeker in het petitum tevens heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de inhoudelijke behandeling van het beroep in de opvang mag worden afgewacht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Nu enerzijds niet de minister bevoegd is om een beslissing te nemen in het kader van het Rva maar het COa en anderzijds in het bestreden besluit ook niet is beslist tot het beëindigen van de opvang van verzoeker ontbeert het verzoek op dit punt de vereiste connexiteit met het besluit van 7 november 2025.
De minister kan het COa ook niet opdragen om verzoekers voorzieningen op grond van de Rva 2005 te handhaven. Die bevoegdheid heeft de minister niet.
Dit leidt ertoe dat het verzoek op dit punt in de onderhavige procedure niet kan worden beoordeeld. Verzoeker zal zich eerst tot het COa moeten richten met het verzoek om de opvang niet te beëindigen, waarna hij bij een negatief antwoord en na daartegen beroep te hebben ingesteld, een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter kan vragen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is kennelijk gegrond.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
schorst het primaire besluit totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.