Vreemdelingenrecht

Terugkeerbesluit en inreisverbod uitgevaardigd. Beroepsgronden tegen inreisverbod slagen niet.

Rechtbank Den Haag, 15 juni 2026

Zaakgegevens

Op 15 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
15 juni 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.8686
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16568
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Terugkeerbesluit en inreisverbod uitgevaardigd. Beroepsgronden tegen inreisverbod slagen niet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8686


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Over het terugkeerbesluit

1. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vaardigt de minister een terugkeerbesluit uit aan een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft en die niet valt onder één van de in dat artikellid genoemde uitzonderingen. Op grond van artikel 62, tweede lid, van het Vw 2000, voor zover hier relevant, kan de minister bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, wanneer het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

2. De minister stelt in het bestreden besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten, omdat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank stelt vast dat eiser de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit niet betwist.

Over het inreisverbod

3. Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die Nederland op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 onmiddellijk moet verlaten. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 kan de minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

4. Eiser voert aan dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan het bestreden besluit heeft aangegeven dat hij familie in België heeft wonen en vanwege gezondheidsredenen in Nederland was. Ook heeft hij aangegeven dat hij in Europa geld wil verdienen voor zijn gezin. De minister heeft deze belangen volgens eiser niet kenbaar betrokken en evenmin gemotiveerd waarom niet wordt afgezien van het opleggen van een inreisverbod. Het bestreden besluit is daarom op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.

5. De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiser een vertrektermijn heeft onthouden. Daarom is de minister op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden om aan eiser een inreisverbod op te leggen. In het bestreden besluit stelt de minister dat eiser geen bijzondere omstandigheden aanvoert waardoor moet worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Daarbij betrekt de minister dat eiser heeft aangegeven dat hij graag terug wil naar zijn gezin in Georgië. De rechtbank oordeelt dat de minister hiermee afdoende motiveert waarom hij geen aanleiding ziet om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Wat eiser in beroep aanvoert maakt dit niet anders.

De minister heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het inreisverbod gevraagd of er omstandigheden zijn waarom hij zou moeten afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Daarop heeft eiser geantwoord dat hij graag wil werken in Europa zodat hij meer geld kan verdienen om zijn gezin te onderhouden. De minister hoeft hierin geen reden te zien om toepassing te geven aan artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000. Uit het gehoor blijkt immers ook dat eiser heeft aangegeven dat hij geen zakelijke belangen heeft in Nederland of de Europese Unie. Bovendien heeft eiser zijn verklaring ook niet onderbouwd, ook niet in beroep. Uit het gehoor blijkt verder dat eiser heeft verklaard dat de peetvader van zijn kinderen in België woont en graag in België onderzocht wil worden omdat hij last heeft van zijn keel. De minister heeft in deze verklaring geen reden hoeven zien om af te zien het opleggen van het inreisverbod. Van een onzorgvuldige voorbereiding of onvoldoende motivering van het inreisverbod is de rechtbank dus niet gebleken.

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van

mr. LG.C. Lelifeld, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.