Vreemdelingenrecht

Bewaring – beroep tegen tkb en irv – duur irv – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 17 juni 2026

Zaakgegevens

Op 17 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
17 juni 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30874
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16598
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring – beroep tegen tkb en irv – duur irv – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30874


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Braziliaanse nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1994 is geboren.

Gronden

2. In het terugkeerbesluit heeft de minister vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware grond vermeld dat eiser:

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser voert aan dat de minister de duur van het inreisverbod had moeten verkorten, omdat hij in de toekomst wil kunnen terugkeren naar Nederland in verband met werk, andere zakelijke belangen of voor vakantie met zijn gezin. Eiser heeft geen strafblad en zal in de toekomst ook niet meer illegaal in Nederland of de EU verblijven. Een inreisverbod voor de duur van één jaar was minder bezwarend en meer passend geweest.

4. Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, bestond voor de minister in beginsel de verplichting een inreisverbod uit te vaardigen. Uit artikel 6.5a van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.

5. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn situatie sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor de minister de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. De enkele stelling dat een inreisverbod voor de duur van één jaar minder bezwarend is, leidt niet tot een ander onderdeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

17 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.