Vreemdelingenrecht

Beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 56 Vw. Niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.

Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22254
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16609
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 56 Vw. Niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22254


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. De minister heeft op 16 april 2026 aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw(de maatregel).

1.1.

Eiser heeft tegen de maatregel beroep ingesteld en heeft gronden ingediend.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Beslissing

2. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Eiser krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.

Besluitvorming

3. De minister heeft eiser op grond van artikel 56 van de Vw verplicht om met ingang van 17 april 2026 te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich op de vbl in Ter Apel dient op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft hij onvoldoende middelen van bestaan.

Oordeel van de rechtbank

Te late indiening van de gronden

4. De minister stelt zich primair op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de gronden van beroep niet tijdig zijn ingediend.

5. De rechtbank stelt vast dat zij de gemachtigde van eiser bij bericht van 28 april 2026 heeft gewezen op het ontbreken van de gronden van het beroep. De rechtbank heeft verzocht dit verzuim uiterlijk op 5 mei 2026 te herstellen. Hierbij is erop gewezen dat, als niet tijdig aan dit verzoek wordt voldaan, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De gronden van het beroep zijn vervolgens op 7 mei 2026, en daarmee te laat, ingediend.

5.1.

Zoals hiervoor overwogen kan de rechtbank ertoe besluiten het beroep niet-ontvankelijk te verklaren als de gronden niet tijdig zijn ontvangen. De rechtbank ziet in dit geval echter geen aanleiding om daartoe over te gaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de termijnoverschrijding beperkt is tot twee dagen, de laatste dag van de gestelde termijn viel op een nationale feestdag en de minister nog tijdig op de gronden van beroep heeft kunnen reageren.

Procesbelang

6. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of procesbelang bestaat. De rechtbank is van oordeel dat procesbelang ontbreekt. Uit de overgelegde informatie van de minister volgt namelijk dat eiser zich niet op de VBL heeft gemeld en dat de maatregel nooit ten uitvoer is gelegd. Daarnaast heeft de minister de vrijheidsbeperkende maatregel met terugwerkende kracht per 6 mei 2026 opgeheven. Eiser heeft deze gang van zaken niet betwist. Dat eiser schade zou hebben geleden door het met terugwerkende kracht opheffen van de vrijheidsbeperkende maatregel is gesteld noch gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk.

8. Voor een schadevergoeding of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000. Vrijheidsbeperkende locatie. Vrijheidsbeperkende locatie.