Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 22 juni 2026

Zaakgegevens

Op 22 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
22 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33709
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16942
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33709


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft de rechtbank van deze voortduring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 22 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Libische nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 8 april 2026.

4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Blijkens de voortgangsrapportage is eiser op 8 juni 2026 erkend als onderdaan van Marokko. Er is in het dossier echter geen mededeling te vinden dat er daarna een lp is aangevraagd of verstrekt. Ook tijdens het vertrekgesprek op 8 juni 2026 is hierover niet gesproken met eiser.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat op 8 juni 2026 het bericht is ontvangen van de Marokkaanse ambassade dat de nationaliteit van eiser is bevestigd. Op 11 juni 2026 is het Marokkaanse consulaat verzocht om de feitelijke afgifte van een lp. De lp is op 19 juni 2026 afgegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.

6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vreemdelingenwet 2000. Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8548. Laissez-passer.